TIJD IS GELD

Tijd is geld. Zoals Einstein het verband tussen energie en materie zo bondig formuleerde, zo is voor economen het belang van tijd in drie woorden vastgelegd.

Toch blijft tijd voor economen een moeilijk begrip. Iedereen gaat ervan uit dat een gulden nu meer waard is dan een gulden straks. Verdiscontering van toekomstige opbrengsten is een belangrijk hulpmiddel bij het bepalen van de waarde van zaken.

IJkpunt daarbij is de rentevoet. Hoe hoger de rente, des te meer stelt de belegger het op prijs zijn geld nu in plaats van later te ontvangen, want anders derft hij immers rente-inkomsten. Over de zuiverheid van dat ijkpunt bestaat al eeuwen twijfel. In de middeleeuwen, toen het geld als betaalmiddel net opkwam, was de woekeraar een zeer verwerpelijke figuur. De kerk achtte het vragen van een te hoge rente vooral zondig omdat geld zelf niet vruchtbaar was. Wie geld zichzelf liet vermeerderen beging als het ware een tegennatuurlijke daad. Dante plaatste de woekeraar in de hel dan ook in de buurt van de sodomieten. Dat tegennatuurlijke werd nog versterkt doordat geld altijd werkt. Zelfs als de woekeraar lag te slapen, nam de hoeveelheid geld die hij tegoed had nog toe. Ook op zon- en feestdagen liet de woekeraar zijn geld gewoon doorwerken. De middeleeuwse intelligentsia voelde haarzuiver aan dat die relatie tussen geld en tijd om een morele maatstaf vraagt.

Nu geld volkomen is ingeburgerd in een maatschappij die zich niet eens meer verbaast over de ontastbare miljarden die alleen bestaan in de geheugens van computers van grote banken die op de ene rekening iets bijschrijven en van de andere wat afhalen, wordt het vaststellen van het ijkpunt overgelaten aan centrale banken die niet praten over goed of slecht, maar over macro-economische verbanden die als natuurlijke wetmatigheden worden beschouwd.

Dit denken leidt tot bizarre conclusies. Er valt bij voorbeeld te berekenen dat de contante waarde van alle walvissen op dit moment hoger is dan de opbrengsten die de walvisvangst in de loop der jaren zou kunnen genereren wanneer zorgvuldig vangstbeperkingen in acht worden genomen. Financieel gezien levert het meer op alle walvissen nu te harpoeneren, hun traan te verkopen en de opbrengst op de bank te zetten, dan de walvissen te laten zwemmen, zich te laten voortplanten en vervolgens ieder jaar voor een deel te vangen. Wiskundig is dat het gevolg van het gegeven dat de waarde van geld als gevolg van de reele rentestand sneller toeneemt dan dan walvissen langs natuurlijke weg hun aantal kunnen vergroten. Eenzelfde rekensom is ook te maken voor het tropisch regenwoud dat, bij een hoge rentestand gekapt, meer oplevert dan het in de toekomst aan vruchten en andere produkten te bieden heeft.

Gelukkig heelt de tijd ook vele wonden en zorgt het denken in contante waarden voor een geleidelijke verschuiving in de economische strucuur. Het streven om zoveel mogelijk te verdienen brengt de economische actor ertoe de omloopsnelheid (ook een aspect van tijd) van zijn geinvesteerde vermogen te vergroten. Kan hij een gulden harder laten werken, dan verdient hij steeds meer, zelfs als de winstmarge op zijn produkt kleiner wordt. Hij wil dus zo snel mogelijk verkopenwat hij heeft gemaakt. Maar de afnemer zal niet sneller afnemen, dus moet de verkoper de afnemer lokken met steeds nieuwe produkten. Daarom wordt de levenscyclus van een produkt, de tijd dat een bepaald produkt winstgevend kan worden verkocht, steeds korter.

Die steeds korter wordende economische levens van produkten worden vaak toegeschreven aan technologische innovatie. Maar zuiver economisch gedacht is zo'n begrip een deus ex machina, die niet altijd nodig is om het korter worden van de economische levensduur te verklaren en daarom vaak buiten beschouwing kan blijven.

Dat de Japanse consument zijn elektronische apparatuur meestal na zes maanden alweer vervangt door nieuwe heeft bij voorbeeld weinig te maken met technologische ontwikkelingen. Het is een kwestie van status om geen 'oude rotzooi' in huis te hebben. Een gevoel dat zorgvuldig is opgebouwd door de marketinginspanningen van de fabrikanten op zoek naar hogere omloopsnelheid van hun vermogen.

Nieuwe produkten zijn lang niet altijd in technologische zin nieuw en hoeven in economische zin nog lang niet de voorgaande generatie te vervangen voordat deze versleten is. Maar voor de winstmaximaliserende fabrikant en handelaar dringt de tijd.

In de jacht op rendement snijdt de fabrikant echter in eigen vlees, wanneer hij steeds nieuwe produktiemiddelen nodig heeft om de 'nieuwe' produkten met hun steeds kortere terugverdientijd te vervaardigen. Dat vergt investeringen die hun waarde in een klap kunnen verliezen als het produkt niet op tijd (voordat de concurrentie het doet) op de markt kan worden gebracht. Dat zijn miljardengokken in steeds grotere markten en zelfs als die gokken goed uitpakken, staat de opbrengst nog niet vast. Fokker was met zijn F-100 net op tijd maar verdient nog niets, Philips was met zijn geheugenchips te laat en verliest fors.

Een onderneming is echter meer dan een verzameling produktiemiddelen. Die meerwaarde is de positie die de onderneming heeft opgebouwd in zijn markt. Die positie maakt dat de leeftijd van een onderneming de levensduur van haar produkten kan overstijgen, waardoor dezelfde onderneming andere produkten kan verkopen. Dat opbouwen van zo'n positie kost, jawel: tijd. Op groei beluste rekenaars becijferen of het voordeliger is de tijd uit te trekken om zelf een positie in een nieuwe markt op te bouwen of om het proces te bekorten door een reeds gevestigde onderneming over te nemen. Steeds vaker valt de keuze op het laatste. Blijkbaar zijn ondernemingen - anders dan walvissen - levend meer waard dan dood. De tijd die het over te nemen bedrijf in het opbouwen van zijn positie heeft besteed, is minder waard is dan de toekomstige inkomstenstroom waarop de koper zijn prijs baseert. Dat doet het vermoeden rijzen dat de berekeningen niet helemaal objectief zijn, maar worden beinvloed door de tijd die degene die de keuze maakt zelf nog heeft om aan zijn prestaties winst te ontlenen. Er straalt immers meer af op de persoon die een grote overname heeft weten te bewerkstellingen dan op iemand die met jarenlang vlijtig werken een positie heeft opgebouwd. En of een aankoop een mislukking is, blijkt pas als de verantwoordelijke alweer is vertrokken.

Hoe het ook zij, bedrijven nemen elkaar steeds meer over. Binnen en buiten de grenzen van het land waar ze oorspronkelijk opereerden. Maar ook overnemen kost, jawel: tijd. In theorie kan de koop snel beklonken zijn, maar in de praktijk wil de overgenomen partij gaarne wat tijd uittrekken voor het onderhandelen over garanties ten aanzien van de eigen positie. Duurt dat de overnemer te lang, dan kan hij besluiten gewoon een bod te doen aan de aandeelhouders van het doelwit. Gaan die erop in, dan bieden beschermingsconstructies het zittende management echter de gelegenheid tijd te rekken voordat de nieuwe eigenaar het voor het zeggen krijgt. Dat is een goede afschrikking, want heeft de overvaller zijn geld al geinvesteerd dan kost de tijd die gemoeid is met het verwerven van zeggenschap rente, hetzij betaald of gederfd.

Tijd als verdedigingswapen kan niet oneindig worden gebruikt. Tijd kan zich ook tegen de verdediger keren. Hoewel jaarlijks duizenden faillissementen worden uitgesproken, sterven grote slechtlopende ondernemingen zelden meer. Zij hebben bijna het eeuwige leven. Sinds Koninklijke Scholten Honig, Ogem en Van Gelder hebben de financiers ontdekt dat het loont tijdig in te grijpen.

Het interessante is dat bij ondernemingen de verschaffers van vreemd vermogen in tijden dat het slecht gaat meer te zeggen hebben dan de aandeelhouders. Die eersten moeten immers op tijd hun rente en aflossing krijgen. Blijft de onderneming in gebreke dan moet hij aan deze partijen concessies doen. Aandeelhouders daarentegen hebben hun eerstgeboorterecht prijsgegeven. Zij delen in de winst, maar weten niet wanneer ze hun geld krijgen. Zij hebben tijd weggegeven en zijn daarom altijd te laat. Wie het in een bedrijf voor het zeggen wil krijgen, kan vaak beter de schulden dan de aandelen kopen.

Wie terugbetaling van geinvesteerd vermogen op een bepaalde tijd afspreekt, wordt als het slecht gaat de baas. Met iedere onderneming zal het wel eens slecht gaan en daarom is die onafwendbare machtsverschuiving reden tot zorg. De voor investering beschikbare gelden moeten elders zijn gespaard. Het grootste gedeelte van de gelden die in Nederland worden gespaard komt terecht bij institutionele beleggers die op hun beurt weer in de tijd vaste verplichtingen hebben om vaste bedragen terug te betalen. Iedere pensioenverzekerde weet zich verzekerd van een uitkering op een vast moment in de toekomst. Zo wordt een steeds groter deel van de geldstromen gekanaliseerd in de tijd. Een bron die niemand beheerst, voedt dat hele netwerk van kanalen: de ondernemers die het allemaal moeten verdienen. Die denken gelukkig niet na over deze zaken. Daarvoor hebben ze geen tijd. Die kost in Nederland immers zo'n tien procent. Dag in dag uit, 24 uur per dag, moeten ondernemers alleen al tien procent rendement halen om er niet op achteruit te gaan. Om dat tempo bij te houden, moeten we - als de bevolking hier niet groeit - steeds meer consumeren, liefst 'Fast food' in de 'TGV'.

Het Nationaal Milieu Beleidsplan onderkent de rentevoet niet als directe milieuvervuiler, al bevroedde men 800 jaar geleden reeds dat rente een 'onreine' invloed had op de samenleving. Hoe hoger de reele rente en hoe meer geld vastrentend wordt uitgezet, des te harder moet de produktie immers groeien. De illusie van het 'waardevast' pensioen bezorgt de kleinkinderen van de pensioentrekker milieu-overlast. Dat is het mysterie van de economische tijd. Aan vergissingen valt niet te ontkomen. Er komt altijd een moment dat er moet worden afgerekend.

    • Paul Frentrop