Stalins slachtoffers hebben hun monument

MOSKOU, 31 okt. Op de dag van de politieke gevangenen, ooit ingesteld door een groepje hongerstakende ingezetenen van een werkkamp, heeft de antistalinistische vereniging Memorial gisteren pal tegenover de beruchte Loebjanka, het hoofdkwartier van de KGB in Moskou, een monument onthuld. De Moskouse gemeenteraad heeft, ongetwijfeld tot ongenoegen van de KGB, voor deze plaats toestemming verleend.

Het is een prachtig monument: een zwerfkei van de Solovki-eilanden in de Witte Zee, het eerste kampencomplex van de Goelagarchipel, dat in 1923 de eerste kolonnes politieke gevangenen ontving. 'Ter herinnering aan de slachtoffers van het totalitaire regime', staat aan de voet van de kei, die door een van de oudste en bekendste politieke gevangenen van het land, Oleg Volkov (28 jaar kampen en gevangenissen), werd onthuld en door de priester, ex-politieke gevangene en parlementslid Gleb Jakoenin werd ingezegend.

Ruim duizend mensen verzamelden zich 's middags bij het standbeeld van Lenins vrouw Nadezjda Kroepskaja om vandaar via de Dzerzjinskistraat naar de Loebjanka te lopen. Veel oudere mensen liepen met kaarsen en foto's van verdwenen familieleden, een enkele anjer in de hand. De kolonne werd voorafgegaan door een geluidswagen die een eindeloze reeks namen liet horen van mensen die tijdens het regime van Stalin zijn geexecuteerd. Spandoeken met teksten als 'Open de archieven van de KGB!', 'Wij geloven niet in de krokodilletranen van de KGB', 'KGB, je kunt je handen niet schoonwassen van het bloed', en 'Krjoetsjkov, waar is mijn zoon?' werden meegedragen. Sommigen droegen bordjes met hun kampnaam en hadden de gewatteerde jekkers met hun kampnummer aangetrokken.

Igor Moesatov (72) liep met een foto van zijn stiefvader, voormalig officier van het tsaristische leger, na de revolutie in het Rode Leger opgenomen. Hij werd in 1937 gearresteerd en stierf na acht jaar kamp aan de tering. Moesatovs oom, ook legerofficier, werd in 1937 geexecuteerd omdat hij het in een brief aan Stalin had durven opnemen voor zijn gearresteerde meerderen. Moesatov zelf werd in 1937 gearresteerd en zat anderhalf jaar in de kerker. Men martelde hem om hem tot bekentenissen te dwingen, tot hij plotseling werd vrijgelaten omdat de paranoide Stalin zich wilde ontdoen van zijn eigen KGB-chef Jezjov en daarvoor moest aantonen dat deze het te bont had gemaakt met de repressie.

Het jaar 1937 is het meest spookachtige uit de Sovjet-geschiedenis. Ook de bejaarde zusters Ada en Maja verloren in dat jaar hun vader, geexecuteerd in verband met de zaak tegen maarschalk Toechatsjevski. 'Daar werd gemarteld, hier zong men vrolijke liederen', zo kenschetst Ada de atmosfeer uit die tijd. Klavdia Borisjevskaja (79) gedenkt haar man, uitvinder van beroep, die in 1937 werd opgepakt. Na een paar maanden kreeg ze de mededeling dat hij naar Siberie was getransporteerd 'zonder recht op correspondentie', de gruwelijke eufemistische omschrijving voor executie. 'Dit is een emotionele dag', zegt een man die met de KGB-foto van zijn geexecuteerde vader loopt. 'Wij weten niet waar onze dierbaren zijn begraven. Eindelijk is er een symbolisch graf waar je heen kunt gaan om het hoofd te buigen'.

Sergej Kovaljov (10 jaar werkkamp wegens het verzamelen van informatie over de mensenrechtensituatie in de Sovjet-Unie, inmiddels parlementslid), een van de sprekers tijdens de plechtigheid, behoorde tot de gevangenen die in 1974 met een hongerstaking in Perm het initiatief namen tot de dag van de politieke gevangenen. Kovaljov maakte onlangs een reis langs een aantal werkkampen, ditmaal als voorzitter van de commissie voor mensenrechten van het Russische parlement. Hij wist daarbij belangrijk archiefmateriaal boven water te krijgen, onder andere over de dood van Anatoli Martsjenko, arbeider, politieke gevangene en auteur van kampherinneringen, die in het Nederlands zijn verschenen onder de titel 'Wat ik zeggen wou'. Martsjenko stierf in december 1986 in de Vladimir-gevangenis aan de gevolgen van volstrekte verwaarlozing en een hongerstaking. Kovaljov wees gisteren tijdens de plechtigheid op het feit dat op dit moment in het beruchte kamp Perm-36, waar nog een paar politieke gevangenen zitten, een hongerstaking wordt gehouden. Een van de gevangenen, Aleksandr Kazatsjkov, is op 8 oktober amnestie verleend, maar hij is nog steeds niet vrijgelaten.

Kovaljov sprak ook over de Nobelprijs voor de Vrede, die Michail Gorbatsjov is toegekend. Na Andrej Sacharov is de president de tweede Sovjet-burger die deze eer te beurt is gevallen. Kovaljov wees erop dat diezelfde Gorbatsjov tijdens zijn eerste officiele bezoek aan Frankrijk in de herfst van 1986, op hardnekkige vragen over Sacharovs kritieke toestand Sacharov was in hongerstaking in zijn ballingsoord in Gorki en werd kunstmatig gevoed verklaarde dat Sacharov een riante flat bewoonde in Gorki terwijl hij eigenlijk in de gevangenis zou moeten zitten en dat hier dus sprake was van een humanitaire behandeling.

Het was jammer dat 'ridders van de perestrojka' als Joeri Afanasjev, Ales Adamovitsj en Jevgeni Jevtoesjenko zich opnieuw geroepen voelden de verzamelde menigte toe te spreken. Hun politieke frases, steeds met graagte herhaald voor de talloze tot op het genante af opdringerige televisiecamera's, klonken hol vergeleken met de waardige woorden van de ex-politieke gevangenen, met wier optreden men had moeten volstaan.

'Hij die de slachtoffers van gisteren vergeet, kan morgen zelf het slachtoffer worden', galmde Jevtoesjenko in een pathetisch gelegenheidsgedicht. Hij had die dichtregel onbaatzuchtig aangeboden als tekst voor de zwerfkei, maar gelukkig hebben de initiatiefnemers van het monument die suggestie beleefd maar beslist van de hand gewezen. De steen is af zoals hij daar ligt en heeft geen pathos nodig.

Terwijl kerkliederen over het Dzerzjinskiplein schallen en de schemering langzaam valt, floepen de lichten aan achter de ramen van de granieten Loebjanka, vanwaar menige KGB'er staat toe te kijken. Ook onder de menigte waren trouwens KGB'ers, dit keer niet om foto's te maken en namen te noteren, maar om voor hun tijdens de Stalinterreur gesneuvelde kameraden bloemen bij de steen te leggen.

Het tekent de schizofrenie van dit land. Terwijl op het plein geemotioneerde en zacht huilende mensen hun bloemen bij de zwerfkei achterlaten, werkt op een steenworp afstand het geheimzinnige bolwerk rustig verder, ontoegankelijk en ongenaakbaar en voor velen een veel te levende herinnering aan onnoemelijk verdriet. En het standbeeld van Feliks Dzerzjinski, IJzeren Feliks, de grondlegger van de Tsjeka (de voorloper van de KGB), dat op een metershoge sokkel het Dzerzjinskiplein domineert, trekt zich langzaam terug in het duister van de nacht.