Staatsrechtelijke positie van premier was langonduidelijk

DEN HAAG, 31 okt. Lange tijd heeft onzekerheid bestaan over de vraag of het Nederlandse staatsrecht nu wel of geen minister-president kende. Pas bij de grondwetsherziening van 1983 werd met zoveel woorden de bepaling opgenomen: 'De minister-president is voorzitter van de ministerraad', zonder dat dit veel zegt over de inhoud van het voorzitterschap. Nergens blijkt en is ook nooit gebleken dat de minister-president leider van de regeringspolitiek is en dat hij dus, zoals de Britse prime-minister of de Duitse bondskanselier, een zwaardere positie heeft dan de andere ministers.

Het is in elk geval de vraag of de grondwettelijke vermelding van de ministerraad en de minister-president kan worden gemotiveerd met de opvatting dat beide organen 'fundamentele elementen van ons staatkundig bestel' zijn, zoals de regering voorafgaande aan de herziening van 1983 beweerde. De minister-president treedt, afgezien van zijn taak als minister van algemene zaken, slechts namens de ministerraad naar buiten op, niet als zelfstandig orgaan, meent bijvoorbeeld professor C. Kortmann als annotator bij het desbetreffende grondwetsartikel 45. Bij de parlementaire behandeling bleek trouwens ook dat noch de regering noch de Tweede Kamer voelde voor een premier als echte regeringsleider; een dominerende positie van de premier zou zich vermoedelijk ook slecht verdragen met de individuele ministeriele verantwoordelijkheid, zoals de Nederlandse Grondwet die kent.

Vroeger werd het voorzitterschap van de ministerraad alleen vermeld in het Reglement van orde voor de raad van ministers. 'De voorzitter wordt door Ons (dus door de Kroon - red.) benoemd en draagt de titel van minister-president', zo werd in 1945 bepaald. Merkwaardig was de situatie voor 1922, toen sprake was van een 'tijdelijke' voorzitter van de raad van ministers. In de praktijk viel het met die tijdelijkheid wel mee, want wie aan de beurt was om te presideren placht zijn beurt voorbij te laten gaan ten behoeve van de kabinetsformateur.

In strijd met de gangbare opvatting dat de Nederlandse minister-president geen overheersende rol dient te vervullen liet dr. A. Kuyper zich na de kabinetsformatie van 1901 bij Koninklijk Besluit benoemen tot voorzitter van de ministerraad 'voor bepaalde of onbepaalde tijd'. Deze Kuyper was een dominerende persoonlijkheid: hij was weliswaar minister van binnenlandse zaken, maar bemoeide zich ook sterk met het buitenlands beleid. Spotters kwalificeerden hem vaak als 'minister van buitenlandse reizen'. De echte minister van buitenlandse zaken, een zekere Melvil van Lynden, had niet veel te vertellen en ging vermoedelijk zwaar gebukt onder de autoritaire Kuyper; kort voor het einde van de kabinetsperiode trad hij af. In 1905 werd op papier het tijdelijke voorzitterschap van de ministerraad hersteld, ongeacht de praktijk van permanente waarneming van dit voorzitterschap door de kabinetsformateur. Speciaal onder het kabinet-Cort van der Linden (1913-1918) trad de formateur-voorzitter vaak op als woordvoerder ter verdediging van het algemeen regeringsbeleid, wat evenwel niet kon worden uitgelegd als zou hij de algemene leider van de regeringspolitiek zijn.