Premier of primus?

WIE MAKEN er in Europa's interne en externe politiek de dienst uit? Kanselier Kohl, president Mitterrand, premier Thatcher. Als zij al in dit verband met Nederland contact opnemen, doen zij dat op hun eigen niveau. Als zij bijeenkomen op hun Europese top ontmoeten zij daar namens het koninkrijk premier Lubbers. Voor de Nederlandse premier ligt het voor de hand om in voorkomende gevallen even zijn collega's te bellen. In de brief aan het kabinet waarin minister van buitenlandse zaken Van den Broek voor zijn grondwettelijke prerogatieven opkomt, roeit deze bewindsman dus op tegen de Europese stroom. De Nederlandse premier is in Den Haag constitutioneel een primus inter pares, een voorzitter onder gelijken. Maar daarbuiten en zeker in het zich verenigende Europa is hij de politieke leider van het koninkrijk.

Afgezien van de grondwettelijke vraag die Van den Broek aan de orde stelt, kunnen er praktische vragen worden opgeworpen zoals: schaadt de solist Lubbers de Nederlandse belangen dan wel komt door zijn handelen de verantwoording aan de volksvertegenwoordiging in het gedrang? Als we ons het debat met de Kamers van de afgelopen jaren goed herinneren, is van dat laatste door de parlementariers in ieder geval in algemene zin geen melding gemaakt. Wel hebben enkele solo's zoals de uitspraken van de premier over de grenzen in Europa en diens briefwisseling met de emir van Koeweit destijds parlementaire aandacht uitgelokt, maar het een noch het ander verwees naar spanningen tussen Algemene en Buitenlandse zaken. Sterker, de betrokken bewindslieden hebben zich nogal eens geetaleerd als een goed functionerend christen-democratisch duo dat in zowel de Europese als in de Atlantische samenhang goede werken wist te verrichten.

ER ZIJN nog andere elementen van belang. Binnen de Europese Gemeenschap kan nauwelijks meer van buitenlandse politiek oude stijl worden gesproken. Een nieuwe kans voor traditionele diplomatie zou het ontstaan van een communautaire buitenlandse politiek kunnen opleveren. Vooral over wat een dergelijke politiek zou moeten zijn kan nog wel een robbertje worden gevochten. Maar ook daar dienen zich onmiddellijk terreinen aan waar andere bewindslieden willen en moeten meepraten: zoals landbouw en handel, ontwikkelingssamenwerking, milieu, terrorisme, immigratie, gezondheid en drugsproblematiek, welzijn, financiering van beleid.

Het kernvraagstuk binnen de Nederlandse verhoudingen is niet, wie het laatste woord heeft, maar hoe een doordachte en gecoordineerde behartiging van nationale belangen tot stand kan worden gebracht. Te vaak weet in Den Haag de ene hand niet wat de andere doet en wordt er geen of te weinig rekening gehouden met de Europese context waarin beleid moet worden gevoerd. De premier is het best geplaatst om daarin verbetering te brengen. Traditionele verhoudingen dienen te wijken voor nieuwe vereisten.