PHILIPS ALS VOORBODE VAN ZWAAR WEER?

De sanering bij Philips heeft voor een groot deel te maken met specifieke omstandigheden en is slechts voor een beperkt deel te interpreteren als een illustratie en een voorbode van zwaar weer voor de Nederlandse ondernemingen en hun werknemers. Voordat ik enkele specifieke opmerkingen over Philips en het technologiebeleid maak, signaleer ik dat de algemene conjuncturele ontwikkeling thans lijkt te vertragen. Minister Andriessen gaf vorige week in het parlement aan dat de economische groei volgend jaar mede in verband met de olieprijzen een half tot een procent beneden de eerdere ramingen en de prijsstijging een half tot een procent boven de ramingen van Prinsjesdag zouden kunnen uitkomen. Ik beschouw deze cijfers vooralsnog als indicatief. De forse vertraging van de economische groei die hierin besloten ligt, komt overeen met de aanwijzingen die zijn te ontlenen aan de zogenoemde leading indicators voor ons land en ook aan de leading indicator van de OESO. Net als de vertraging van de economische groei is de veronderstelde versnelling van de prijsstijging niet los te zien van de hypothese omtrent de olieprijzen (25 a 30 dollar). In de komende weken en maanden zal het realiteitsgehalte hiervan nog moeten blijken. Gezien de wisselende berichten over toenemende spanning en dan weer ontspanning in de Golf is bijzonder veel voorbehoud op zijn plaats.

Indien de olieprijzen hoog blijven zal de vertraging van de economische groei, de opwaartse druk op de lonen - mede als gevolg van de hogere prijsstijging - en de neerwaartse druk op de winstmarges mogelijk in relatief sterke en snelle mate nadelige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid. In de naoorlogse decennia tot omstreeks 1980 plachten de ondernemingen de werkgelegenheid niet snel aan te passen aan gewijzigde omstandigheden op het gebied van produktie, kosten en winsten. De ervaring eind jaren zeventig, begin jaren tachtig heeft de ondernemers de les geleerd dat zo'n trage aanpassing het voortbestaan van de ondernemingen in gevaar kan brengen. Vandaar dat een verslechtering van het ondernemingsklimaat nu sneller en sterker kan doorwerken in de werkgelegenheid. De daling van de geregistreerde werkloosheid, die enkele jaren zeer aanzienlijk is geweest, zou tot een eind kunnen komen en in de loop van volgend jaar zelfs kunnen overgaan in een stijging.

Als de economische ontwikkeling inderdaad tegenvalt, kan worden overwogen begin volgend jaar het beleid enigermate te corrigeren. Daarbij komt het financieringstekort van het rijk niet voor verhoging in aanmerking, zeker gelet op het toch al minder solide karakter van de begroting voor 1991. Evenmin is in dit scenario sprake van een 'internationale calamiteit', die een loonmaatregel zou rechtvaardigen. Wel zouden de slechte kansen voor werknemers en ondernemingen kunnen worden verminderd door extra gasbaten voor de staat en eventueel aanvullende uitgavenbeperkingen te gebruiken voor beperking van de lasten waarmee burgers en bedrijven te maken krijgen in de vorm van hogere energieprijzen en hogere collectieve lasten (door het CPB al op de Derde Dinsdag op een structurele verhoging van 1,5 miljard gulden geraamd).

In de jaren zeventig heeft de verhoging van collectieve lasten een spoor van schade door de nationale economie getrokken. In 1991 zal bij de eerder geraamde loonstijging de koopkrachtstijging van de modale werknemer ongeveer nihil zijn (exclusief incidenteel), als de prijsstijging hoger uitvalt dan was voorspeld. De eerder genoemde loonstijging van drie procent wordt daardoor voor 1991 nog minder realistisch. Indien begin volgend jaar de BTW zou worden verlaagd, wordt het gevaar van een loonstijging die ongunstig is voor de werkgelegenheid kleiner, terwijl het uitzicht op verantwoorde toepassing van de koppeling gunstiger wordt. Als de staat de extra aardgasinkomsten terugsluist naar burgers en bedrijven zullen voorts ombuigingen bij de overheidsuitgaven nodig zijn om het financieringstekort van het rijk bij een tegenvallende economische groei op het beoogde niveau te houden.

Wat de specifieke positie van Philips betreft, zij vooropgesteld dat in grote ondernemingen perioden van groei en bloei worden afgewisseld door jaren van stagnatie en herorientering. Wie zich herinnert hoe een aantal, thans bloeiende Nederlandse ondernemingen er tien jaar geleden voorstond en wat de perspectieven voor die ondernemingen volgens deskundige analisten destijds waren, past wel op ondernemingen voortijdig af te schrijven. Dit patroon van goede tijden, afgewisseld door moeilijke perioden, is in de industriele geschiedenis ook te onderkennen bij een aantal van de meest fameuze ondernemingen ter wereld, onder meer in de Verenigde Staten.

Voor Philips is al geruime tijd de gerichte concurrentie vanuit Japan een grote handicap en een uitdaging tegelijk. In de VS hebben in de betrokken sectoren al veel ondernemingen hun zelfstandige positie verloren; in West-Europa zijn er naast Philips nog slechts enkele 'overlevenden' (o.a. Siemens en Thomson). Het zou overigens niet juist zijn alle problemen toe te schrijven aan de geconcentreerde Japanse concurrentie die is gericht op het verwerven van mondiale monopolie-posities.

Volgens nogal wat commentatoren zouden bij minder strikte beschermingsconstructies bij Philips de noodzakelijke aanpassingen eerder zijn doorgevoerd. Dat zou dan pleiten tegen zulke beschermingsconstructies. Ik vind dat een eenzijdige redenering. Van de overnemingsdreiging gaat weliswaar een zekere 'tucht' voor de winstbewaking op korte en middellange termijn uit, maar daar staan nadelen tegenover in de zin dat de onderneming zich minder kan richten op de lange termijn (research en ontwikkeling) en de speelbal wordt van marktverstoringen op middellange termijn. Geen zinnige samenleving (bedrijfsleven en overheid) zou kunnen aanvaarden, dat het technisch meest geavanceerde grootbedrijf van het land in stukken zou worden opgedeeld of in buitenlandse handen zou geraken.

Het past niet dat de overheid zou intervenieren in de efficiency-drive, die Philips op gang brengt en in de bezinning op taken en werkgebieden die daarop zal volgen. Wat te zeggen over de rol van de overheid als dat aanpassingsproces op gang is gekomen?

In de tweede helft van de jaren zeventig is officieus contact geweest tussen Philips en Economische Zaken over subsidies onder de titel van hoogwaardige industrie. Philips is hierop toen niet ingegaan om vrijheid te houden ten opzichte van de (toen nog bemoeizuchtige) overheid. Later heeft Philips wel van overheidsfaciliteiten geprofiteerd op basis van generieke regelingen en internationale kaders (Eureka-projecten als Jessi en HDTV en EG-programma's als Esprit). In verhouding tot de research- en development-inspanning van Philips zijn de overheidsfaciliteiten echter ook in de jaren tachtig bescheiden gebleven. Dit geldt ten opzichte van buitenlandse ondernemingen die een veelvoud aan steun kregen. Dit geldt ook in vergelijking met vele binnenlandse ondernemingen. In ons land is de R en D-steun steeds meer geconcentreerd op kleine bedrijven, die verhoudingsgewijs twee a drie maal zoveel aan R en D-premies ontvangen.

In de verhouding tussen de grote bedrijven geldt dat Philips relatief veel aan basisresearch heeft gedaan.

In vergelijking met kleinere en grotere nationale bedrijven alsook in vergelijking met internationale concurrenten, is Philips door de Nederlandse overheid in het verleden niet ruim bedeeld in verhouding tot zijn research-inspanning. Daarnaast kan de Japanse gerichte concurrentie die de micro-elektronica-wereld wil veroveren, bij de beleidsbepaling door de Nederlandse overheid niet zonder meer worden genegeerd. Het is niet denkbeeldig dat Philips zijn fameuze Natuurkundig Laboratorium moet inkrimpen en de research deels moet uitbesteden aan bij voorbeeld het Micro Elektronica Centrum in Leuven, dat wordt gesubsidieerd door de Belgische overheid en op projectbasis ook door de EG. Dit illustreert dat er voor het Nederlandse technologie- en wetenschapsbeleid belangrijke vragen liggen. De ministeries van onderwijs en wetenschappen en economische zaken zullen met behulp van extern onderzoek voor het eind van het jaar in kaart brengen wat vooral op universitair gebied een passend antwoord zou kunnen zijn op de turbulenties in de sfeer van de micro-electronica. Defensieve steun om het leven van zwakke bedrijfsonderdelen te rekken is niet aan de orde. Mogelijk komen op het gebied van de wetenschappelijke en technologische infrastructuur nieuwe benaderingen in aanmerking, die in andere EG-landen al worden toegepast. Het kan zijn dat Philips het kan stellen zonder faciliteiten vanuit de Nederlandse samenleving. Als daarentegen blijkt dat voor een hernieuwde bloei van Philips en van de Nederlandse industrie bepaalde voorzieningen nodig zijn, dan zal daaraan serieus aandacht moeten worden besteed. Philips is een van de drie belangrijkste industriele ondernemingen in ons land. Uit een oogpunt van technologie en werkgelegenheid is Philips het belangrijkste industriele grootbedrijf in ons land; Philips verricht 32 procent van de research en ontwikkeling door bedrijven in ons land. Ondanks tekortkomingen is het op langere termijn bezien een van onze beste bedrijven. Hernieuwde bloei van Philips is van cruciaal belang voor de nationale economie.

Vijf jaar geleden vierden we in grote kring H. F. 80. ' 85 is geen bijzonder getal', zei hij toen in zijn slotwoord, en kort na een kleine intieme verjaardagsviering op de vakgroep OWOC kwamen we samen om hem te begraven.