NWR-acountants gestraft in tuchtzaak

AMSTERDAM, 31 okt. Twee registeracountants van de Nationale Woningraad (NWR) in Almere krijgen van de Raad van Tucht van het Nederlands instituut van registeracountants (Nivra) een 'schriftelijke waarschuwing' respectievelijk een 'schriftelijke berisping'. De acountants, E. en W., hebben volgens de Raad hun 'onpartijdigheid en onafhankelijkheid' in gevaar gebracht.

De Raad behandelde de klachten tegen E. en W., ingediend in het voorjaar van 1989, al op 15 maart 1990 maar kwam pas vorige week tot zijn uitspraak. Die wordt, met gebruik van initialen, op zijn vroegst over enkele weken gepubliceerd.

E. heeft volgens de Raad 'ernstig onzorgvuldig' gehandeld, omdat hij, met anderen, in 1988 een oud-werknemer van de Stichting Studentenhuisvesting Amsterdam (SSHA) in opspraak heeft gebracht. Hij bracht 'zijn onpartijdigheid in gevaar' toen hij, als bewindvoerder van de SSHA, de openbare acountant Dechesne ontsloeg. Hij maakte daarmee de weg vrij voor een NWR-acountant. E. wordt bestraft met een schriftelijke waarschuwing.

W. krijgt een zwaardere straf, een schriftelijke berisping. Hij controleerde in 1989 als NWR-registeracountant de boeken van de SSHA, na het ontslag van Dechesne. Maar de SSHA maakte indertijd al in aanzienlijke mate gebruik van diensten van de NWR en had ook NWR-personeel geleend, inclusief een interim-manager. De Raad van Tucht concludeert nu dat W., 'gelet op de door hem in acht te nemen onpartijdigheid en onafhankelijkheid' die de Nivra-regels voorschrijven, de opdracht van de SSHA niet had mogen aanvaarden.

Tijdens de zitting verweerde W. zich met de stelling hij niet als openbaar maar als branche-acountant optrad, zodat de Nivra-regels niet op hem van toepassing zouden zijn. De Raad constateerde echter dat tal van instanties volgens de SSHA-statuten inzage hebben in de jaarrekening, zodat W. hier wel degelijk als openbaar acountant optrad.

Een schriftelijke waarschuwing is de lichtst mogelijke straf die een Nivra-acountant kan worden oplegd. Maar, zegt secretaris mr. G. J. S. Postma van de Raad van Tucht, 'ook een waarschuwing komt voor een registeracountant hard aan'. Registeracountants in het land bevestigen dit. Een schriftelijke berisping geldt als de een na lichtste straf. De zwaarste straf die een Nivra-acountant kan worden opgelegd is uitzetting uit het register, maar dit is de afgelopen tien jaar slechts enkele malen gebeurd. Postma: 'Het enkele feit alleen dat er een klachtprocedure loopt wordt in de wereld van de acountancy als serieus en onplezierig opgevat.'

De NWR is de grootste van twee koepelorganisaties van woningbouwverenigingen. De andere is het christelijke NCIW. De Woningraad treedt vanouds op als belangenbehartiger van woningbouwverenigingen, maar heeft zich de afgelopen decennia ontwikkeld tot een professionele leverancier van computer-, administratieve en andere diensten. Inmiddels is nog slechts eenderde van de NWR-inkomsten afkomstig uit contributies. In 1988 bedroegen de contributies 21,5 miljoen gulden, de totale inkomsten 65 miljoen.

Van de vier NWR-registeracountants zijn er drie als zodanig bij de Woningraad actief. Ook tegen de derde acountant, De S., loopt een klachtprocedure bij de Raad van Tucht. Een ontslagen directeur van een Rotterdamse woningcorporatie verwijt De S. onder meer dat hij informatie, die hij volgens de Nivra-regels voor zich had moeten houden, heeft doorgespeeld aan de directie van de NWR. Die zou die informatie vervolgens hebben misbruikt, waardoor de betrokken directeur ten onrechte zou zijn ontslagen. De informatie zou wijzen op strafbare handelingen van de directeur, maar een strafklacht werd door de officier van justitie geseponeerd.

De zaak tegen E. is aanhangig gemaakt door het Algemeen Bewonersoverleg, een organisatie van SSHA-bewoners, en H. J. Schwartz, de man die volgens de tuchtraad in 1988 mede door toedoen van E. in opspraak werd gebracht. Schwartz was van 1976 tot 1986 bij de SSHA lid van het leidinggevend team en hoofd van de financieel-economische administratie. De klacht tegen W. werd alleen door de bewonersorganisatie ingediend.

In het SSHA-jaarverslag over 1987, waarvoor E. als bewindvoerder en penningmeester mede-verantwoordelijk was, werd Schwartz' naam genoemd in verband met 'vermeend strafbaar handelen'. De Raad van Tucht stelt nu 'dat het niet enig doel kon dienen dat diens naam daarbij werd genoemd' en spreekt van 'ernstig onzorgvuldig handelen'.

Schwartz trad per 1 januari 1987, na zijn vertrek bij de SSHA, in dienst bij het ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) als senior-inspecteur, maar werd in de zomer van dat jaar geschorst, omdat hij in zijn SSHA-tijd valse declaraties zou hebben ingediend en geld over de balk zou hebben gesmeten aan taxi- en maaltijdkosten. Begin 1988 werd hij door VROM ontslagen. Schwartz ging in beroep bij de ambtenarenrechter die zijn ontslag op 14 juni 1988 ongedaan maakte. Een strafklacht tegen Schwartz, die in 1987 werd ingediend, leidde niet tot vervolging.

Tijdens de behandeling van de zaak voor het ambtenarengerecht overlegde VROM een kopie van een brief van de SSHA, gericht aan Schwartz, waarin deze opnieuw van frauduleuze handelingen werd beticht. De Raad van Tucht stelt nu vast dat 'het ervoor moet worden gehouden' dat het uitdelen van die brief plaatshad 'met medeweten van' E.

Bovendien was de in de brief gestelde termijn voor beantwoording nog niet verstreken. Daarom is volgens de Raad ook hier sprake van een 'zodanig ernstig onzorgvuldig handelen' dat artikel 5 van de Nivra-regels werd geschonden.

De Raad van Tucht is het niet eens met de klagers dat E. de functie van bewindvoerder van de SSHA nooit had mogen aanvaarden, gelet op de financiele en personele bindingen tussen SSHA en NWR. De Raad stelt dat de SSHA 'in een ernstige financiele en organisatorische impasse verkeerde' en dat E. als redder in de nood over de noodzakelijke kennis en ervaring beschikte. De Raad concludeert dat 'het gevaar voor belangentegenstellingen niet zodanig' was dat E. van de opdracht had moeten afzien mits 'er een andere als openbaar acountant optredende acountant fungeert'.

Dat laatste was begin 1988 het geval, toen Dechesne de boeken controleerde. Eind 1988 moest Dechesne echter vertrekken, twee dagen nadat de Amsterdamse wethouder Genet de bewindvoerders na een conflict ontslag had aangezegd. Waarom Dechesne werd ontslagen, lieten E. en zijn advocaat tijdens de behandeling van de zaak voor de Raad van Tucht in het midden. Volgens de Raad had 'terstond' een andere openbare acountant moeten worden benoemd. Dit gebeurde niet en de Raad concludeert nu dat E. zo 'zijn onpartijdigheid in gevaar (heeft) gebracht'.

De klagers betwijfelden tevens of de verstrekking van een grote opdracht door de SSHA aan de automatiseringsdochter van de NWR louter op zakelijke gronden was geschied. Ook werd bij fusiebesprekingen tussen de SSHA en twee Amsterdamse woningcorporaties bij hen de indruk gewekt dat een van de twee de voorkeur kreeg, omdat E. bij deze corporatie optrad als acountant. Beide klachten zijn door de Raad van Tucht echter ongegrond verklaard, omdat ze onvoldoende met feiten werden gestaafd. Over de tweede klacht merkt de Raad op dat weliswaar 'de schijn (kon) rijzen van belangenvermenging', maar dat dit 'onvermijdelijk verbonden' was aan het aanvaarden door E. van het bewindvoerderschap.

E. beperkt zijn commentaar op de uitspraak van de Raad van Tucht tot de mededeling dat deze 'niet inhoudelijk maar alleen procedureel is'. Schwartz is 'erg blij met deze uitspraak, ', want, zegt hij, 'hieruit blijkt dat NWRacountants gebonden zijn aan gedragscodes en ik ben al langere tijd van mening dat mensen van de NWR door middel van tendentieuze berichtgeving mensen waar ze last van hebben in diskrediet brengen.'