Lubbers en Van den Broek botsen over bevoegdheden

DEN HAAG, 31 okt. Premier Lubbers wil verregaande bevoegdheden op het terrein van de buitenlandse politiek. In een brief aan alle ministers vraagt hij, met het oog op de Europese eenwording, voor zichzelf als premier een 'coordinerende, initierende en superviserende rol'. Minister Van den Broek van buitenlandse zaken heeft in een antwoordbrief dit streven 'niet aanvaardbaar' genoemd. Veranderingen in de bevoegdheden van de premier zijn volgens hem slechts mogelijk via een grondwetswijziging.

De relatie tussen Lubbers en Van den Broek is als gevolg van deze controverse over de bevoegdheden van de premier danig verstoord. 'Ze hebben nog wel een normale werkrelatie en overleggen zakelijk met elkaar, maar daar houdt het dan ook mee op', zegt een hoge ambtenaar die nauw bij de discussie is betrokken. Nu de briefwisseling is uitgelekt, wordt hierover vrijdag in de ministerraad een nadere discussie verwacht. D66-leider Van Mierlo heeft het kabinet om een brief gevraagd, waarin de discussie in het kabinet wordt blootgelegd.

De discussie over rol en bevoegdheden van de minister-president in het kabinet wordt gevoerd in het kader van het streven om te komen tot bestuurlijke vernieuwing. Daarop studeert een parlementaire commissie onder voorzitterschap van Tweede-Kamervoorzitter Deetman. Lubbers wil dat het kabinet daarover een standpunt gereed heeft als de commissie over ongeveer een maand met haar rapport komt.

Deze zomer ontstond over de kwestie al een hooglopende discussie tussen Van den Broek en Lubbers. Bij die gelegenheid maakte Lubbers duidelijk dat hij zijn oude wens naar meer bevoegdheden, in het bijzonder op Europese topconferenties, explicieter tot uitdrukking wilde brengen. Lubbers telefoneert regelmatig met collega's als Thatcher en Kohl en hij neemt tijdens die topconferenties regelmatig initiatieven zonder ruggespraak met Buitenlandse Zaken. Van den Broek liet toen weten dat als de premier zijn plannen zou doorzetten om dit gebruik te formaliseren, hij naar een andere minister van buitenlandse zaken moest zoeken.

De gedachtengang was op dat moment nog dat deze verandering van de bevoegdheden, mocht zij tot stand komen, via de officiele weg van een grondwetswijziging zou moeten gaan. Premier Lubbers heeft, in de wetenschap dat dit een lange weg is waarin hij wellicht geen winst kan behalen, een andere weg gekozen, namelijk die van formele afspraken in het kabinet.

Pag.3: Vervolg/ Staatsrechtelijke positie premier

Pag.9: Hoofdartikel

In een interne brief aan het kabinet heeft Lubbers op 15 oktober erkenning gevraagd voor zijn gegroeide rol op buitenlands politiek terrein. Die zou weliswaar 'complementair' op het werk van de minister van buitenlandse zaken blijven, maar, zo schrijft de premier: 'Het is echter wel duidelijk dat deze complementaire inspanning in belangrijke mate bepaald wordt door ervoor zorg te dragen dat de minister-president in vergelijking met collega's in het buitenland niet gehandicapt wordt in informatie, contacten, presentatie, status, etc.'

In de praktijk betekent dit dat het ministerie van algemene zaken op het terrein van buitenlands beleid moet worden versterkt. Nu zitten daar twee adviseurs op dit gebied, raadsadviseur Merckelbach en diens plaatsvervanger De Visser. Dat aantal zou fors moeten worden uitgebreid.

Bij Buitenlandse Zaken heeft men op dit alles als door een adder gebeten gereageerd. De suggestie dat de premier niet goed zou worden geinformeerd wordt daar krachtig ontkend. 'Hij krijgt alle telegrammen van alle buitenlandse posten, hij krijgt alle voorbereidende stukken voor elk internationaal en bilateraal overleg, hij is voorzitter van de Raad voor Europese Samenwerking, waarin alle betrokken ministers zitten, en mensen van zijn ministerie zitten bij het coordinerend overleg voor de Europese samenwerking. Zijn adviseurs voor buitenlands beleid zijn hier bijna elke dag.' Aldus een ambtenaar bij Buitenlandse Zaken.

Van den Broek heeft in een brief van 25 oktober opnieuw op de voorstellen van Lubbers gereageerd. Hij spreekt daarin de angst uit dat de premier niet langer de 'primus inter pares' (eerste onder zijns gelijken) is, maar 'primus dominus' (de heersende eerste) wil zijn. Lubbers creeert naar zijn opvatting 'een onduidelijke situatie ten aanzien van mijn taak en de daarbij behorende ministeriele verantwoordelijkheid'. Binnen het kader van de constitutionele praktijk acht Van den Broek afspraken in het kabinet over een uitbreiding van Lubbers' bevoegdheden 'niet aanvaardbaar'.