Het marktmechanisme drijft het Engelse theater naar deondergang

Een groot aantal Britse toneelgroepen en theaters kampt met geldzorgen die ernstiger zijn dan ooit eerder het geval was. Ruim dertig gesubsidsieerde gezelschappen hebben dit jaar een tekort van 17 miljoen pond. Het is de vraag of zij hun activiteiten zullen kunnen voortzetten.

LONDEN, 26 okt. Elk jaar, wanneer de bladeren van de bomen vallen en de klok een uur achteruit wordt gezet, stijgt uit theaters, toneelscholen, concerthallen en musea in Engeland en Wales een weinig melodieuze klaagzang op. 'Het is weer herfst, daar heb je de schone kunsten weer', schrijft de kunstcriticus van The Times dan zuur. Het gehuil der muzen heeft veel te maken met de najaarsnota, een hoogtepunt in het begrotingsjaar dat samenvalt met het vaststellen van het budget voor de kunst. Klagen over gebrek aan subsidie hoort in Engeland net zo bij het najaar als de opening van het jachtseizoen voor korhoenders.

Maar dit jaar heeft het misbaar wel een heel paniekerige ondertoon. Een van de belangrijkste toneelgezelschappen in dit land, de Royal Shakespeare Company, trekt deze winter tenminste vier maanden de deur van haar twee schouwburgzalen in het Barbican Centre in Londen achter zich dicht wegens een een tekort van twee miljoen pond. Drie andere toonaangevende instituten in de Britse toneel- en muziekwereld het Royal Opera House, de English National Opera en het National Theatre kampen eveneens met ernstig geldgebrek. Benarder nog is de positie van de 32 gesubsidieerde toneelgezelschappen buiten Londen, die de helft van hun subsidie krijgen van de centrale overheid en de andere helft van de gemeentebesturen. Van de 32 hebben er 30 nu al een gezamenlijk tekort van 17 miljoen pond en gevreesd wordt dat enkele gezelschappen, net als de Shakespeare Company, een deel van het jaar de deuren moeten sluiten. Uiteindelijk zullen ze hun activiteiten mogelijk geheel moeten staken.

De Arts Council, de semi-overheidsinstantie die de rijkssubsidies moet toewijzen, heeft de nieuwe staatssecretaris voor kunstzaken, David Mellor, laten weten dat op korte termijn 14 miljoen pond extra nodig is om de door haar gesubsidieerde theaters het komende jaar in bedrijf te houden. Maar de derde regering-Thatcher wringt zich op dit moment om politieke redenen in bochten om haar reputatie van prudent boekhoudster op te vijzelen. Onder die omstandigheden doet ze alles liever dan de geraamde begroting voor volgend jaar overschrijden, ook al heeft de inflatie de verplichte uitgaven inmiddels met zo'n tien procent opgedreven.

Gezien deze sombere situatie begint de Britse theaterwereld deze week een 'Herfst 1990 Theater Campagne'. Andrew Leigh, voorzitter van de vereniging van theaterdirecteuren en zakelijk leider van de Londense Old Vic, heeft nog hoop op een goede afloop: 'Het gaat tenslotte om een betrekkelijk gering bedrag. Een kleine prijs als je je populariteit wilt opvijzelen'.

En Philip Hedley, artistiek leider van het Theatre Royal in de Londense buitenwijk Stratford East en de bedenker van de campagne, stelt vast: 'Toneelspel is bij uitstek de kunst die dit land faam verleent. We zijn de staalindustrie en de scheepswerven al kwijt, als er niets gebeurt gaat het met de toneelindustrie dezelfde kant op.'

De 'Theater Campagne' wil twee dingen van de overheid: zij moet niet alleen iets doen aan de acute financiele moeilijkheden van de theaterwereld, maar ze dient ook haar houding te wijzigen ten opzichte van de wereld van de kunsten en in te zien dat kunst niet slechts afhankelijk mag zijn van het marktmechanisme. Sinds dit in het begin van de jaren tachtig ook van toepassing werd verklaard op de kunstsector, hebben theaters, opera, musea, muziek- en dansgezelschappen geleerd het fenomeen sponsor te omhelzen. Bovendien besloot men het publiek een prijs te laten betalen die meer dan vroeger in overeenstemming is met het gebodene.

Wat dit betreft, zeggen de actievoerders unaniem, is nu de grens bereikt. In het Royal Opera House in Londen kost het duurste kaartje nu 100 pond, sponsors nemen zeventien procent van het budget voor hun rekening, de bezettingsgraad van de zaal is 92 a 93 procent en toch lijdt de Opera een verlies van 3 miljoen pond. Om die reden heeft algemeen directeur Jeremy Isaacs drie weken geleden een nieuwe produktie van Iphigenie en Aulide van Gluck afgelast. Kort daarvoor had hij een begroting gemaakt die voor volgend jaar een verlies van 5 miljoen pond te zien geeft. 'Zonder aanvullend geld', zei Isaacs bij die gelegenheid, 'zullen we ons drastisch moeten bezinnen en dat betekent maar een ding: Armageddon.'

Recessie

De actievoerende theaters hebben hun eigen cijfers verzameld: driekwart van hun tijd gaat niet op aan het produceren van nieuwe stukken, maar aan het zoeken van sponsors. Die markt is zo goed als afgegraasd en dreigt in te krimpen nu de Britse economie officieel in een recessie verkeert. Nog hogere toegangsprijzen drijven het publiek uit het theater. De enige mogelijkheid de theatertraditie in stand te houden is door middel van een verhoging van het kunstbudget. Groot-Brittannie geeft per jaar per hoofd van de bevolking 9.80 pond uit aan kunst, Duitsland 24 pond en Frankrijk 21.40 pond.

Andrew Leigh van The Old Vic is niet afhankelijk van subsidie maar van een particuliere geldschieter, de Canadese theatereigenaar David Mirvish. Twee maanden voor Shakespeares A Midsummer Night's Dream en Botho Strauss' variant daarop (The Park) op 12 december in premiere zouden gaan, besloot Mirvish opeens het bijltje erbij neer te gooien: eigen produkties voor The Old Vic werden hem te duur. Leigh geeft toe dat de voorstellingen van de afgelopen drie jaar eigenlijk werden gesubsidieerd door de eigenaar, die met een Canadese versie van Les Miserables in zijn theater in Toronto maandenlang voor uitverkochte zalen zorgde. ' Maar we brengen hier niet, zoals in het West-End, maandenlang dezelfde musical waarmee dank zij schandelijk hoge prijzen kapitalen worden verdiend. Dit theater heeft de laatste drie jaar onder leiding van Jonathan Miller veertien produkties gebracht, van Shakespeare en Brecht tot Racine, Isaac Babel en Alexander Ostrovsky. In onze campagne wijzen we erop dat de inventiviteit van het theater om zeep wordt gebracht doordat de verhouding tussen subsidienten en sponsors in dit land niet goed is.'

Artistiek leider Jonathan Miller, die al bezig was met de instudering van de stukken van Shakespeare en Strauss, verbrak na de ingreep van de eigenaar vroegtijdig zijn banden met het theater. Miller was niet boos, maar wel verdrietig. 'Vandaag de dag kun je niet verdienen aan klassiek repertoire, tenzij je bereid bent Joan Collins in de rol van Cleopatra neer te zetten', zei hij. The Old Vic gaat nu onderkomen bieden aan produkties van buitenstaanders, voorstellingen van wisselende kwaliteit waarop geen verlies wordt geleden. 'Een eigen identiteit is voor dit theater te duur gebleken', zegt Andrew Leigh.

Het benauwt de theaters vooral dat de regering niet wil inzien dat te grote afhankelijkheid van sponsors de toekomst voor hen onzeker maakt en hun creativiteit inperkt. Het National Theatre kon geen sponsor vinden voor 'T is Pity She's a Whore, want wie zou aan een dergelijke titel zijn goede naam willen verbinden? Sponsors zijn op zoek naar iets waarmee hun bedrijf eer kan inleggen of waarmee ze hun reputatie kunnen opvijzelen. Dit betekent meestal dat de keus valt op iets ongevaarlijks, een wetenschap die leidt tot zelfcensuur bij de keuze van stukken.

Andrew Leigh stelt dat bij de meeste theaters een functionaris zich zowel bezighoudt met sponsoring als met giften aan liefdadige doelen. Dat leidt tot een cultuur waarin sprake is van 'hand ophouden' in plaats van een dialoog tussen gelijke partners. Hij herinnert zich een produktie in The Old Vic, waarvoor een sponsor vrijkaartjes had gekregen. Een groep werknemers van het betreffende bedrijf, functionarissen op managers-niveau, kwam te laat en was dronken en luidruchtig. Toen het personeel van het theater zei dat ze moesten wachten omdat het eerste bedrijf al was begonnen, eisten de bezoekers dat de voorstelling opnieuw zou beginnen. 'Wij zijn de eigenaars van deze produktie', zo werd gezegd. De zaak werd door tactvol optreden gesust.

In de pas

Terry Hands, artistiek leider van de Royal Shakespeare Company, beschreef onlangs hoe een tweede generatie sponsors de eerste van idealisme bezeten geldschieters is opgevolgd. In een gesprek over de financiele moeilijkheden waarin het gezelschap zich bevindt, maakten deze nieuwste financiers hun verlangen duidelijk zich ook met theatermanagement te gaan bemoeien. 'Toen ze op het punt stonden te vertrekken, ' vertelde Hands, 'kwam er eentje nog even terug om te zeggen hoe jammer het toch is dat het financieel zo slecht gaat met de Royal Shakespeare Company en hij voegde eraan toe: 'Jullie zullen toch met mensen als ons in de pas moeten leren lopen, weet je'. Dat is de toekomst'.

Sir Peter Hall, die na zijn afscheid als leider van het National Theatre een succesrijke eigen theaterproduktiemaatschappij begon waar grote sterren zich door hem laten regisseren, zegt dat onder het bewind van Thatcher de leer van Mammon in Engeland is geintroduceerd. 'Als een onderneming geen geld opbrengt of zoals bij het gesubsidieerd theater het geval is lijkt op te brengen, is hij al verdacht. En dat niet alleen, hij is ook overbodig.' Muziek en ballet zijn tot op zekere hoogte 'veilig' voor ingrepen van de overheid. Theater is volgens Hall kwetsbaar, want het spreekt en is dus gevaarlijk, choquerend en uitdagend.

Hall: ' In Groot-Brittannie hebben de puriteinen opnieuw gewonnen, ook al geloven ze dit keer in Mammon en niet in God, in de werking van de markt en niet in visie. Het effect is hetzelfde: aan creativiteit komt een eind, vragen worden niet meer gesteld en de onrust wordt in toom gehouden'.

Telkens wanneer de regering zich verdedigt tegen de beschuldiging van barbarij ('philistinism' zeggen de Engelsen) wijst zij erop dat vorig jaar is besloten de kunstbegroting over een periode van drie jaar met 24 procent te verhogen. Maar de lobbygroep National Campaign for the Arts wijst erop dat die verhoging geen rekening houdt met gestegen kosten door inflatie: ondanks een stijging van 18 procent voor de periode 1989-1991 blijft de kunstbegroting met twee procent achter bij inflatie. Als de subsidie zo wordt uitgehold, is er in april 1992, ondanks de 24 procent verhoging voor drie jaar, een tekort op de begroting van 40 miljoen pond.

Voor de regionale en lokale gezelschappen, die tenminste voor de helft van gemeentelijke subsidies afhankelijk zijn, lijdt het geldtekort op twee fronten tot problemen. De invoering van de 'poll tax', de gemeenschapsbelasting, betekent dat gemeentebesturen gedwongen worden tot vergaande bezuinigingen. Als ze dat niet doen, dwingt de centrale overheid hen de tering naar de nering te zetten. Wanneer een keus moet worden gemaakt tussen bezuinigen op sociale of op culturele voorzieningen verliezen de theaters maar al te vaak. Graham Hitchen van de National Campaign for the Arts benadrukt dat nu, anders dan voorheen, het theater aan de basis wordt bedreigd. Andere maatregelen vanuit Londen, niet bedoeld om de theaterwereld te treffen, hebben ook een nadelig effect. Voor aankomende acteurs is de belastingaftrek voor zelfstandigen geschrapt, voor scholen is het niet langer toegestaan theatervoorstellingen voor eigen rekening te bezoeken. De voorbeelden van dreigend verval liggen voor het oprapen: het Nottingham Playhouse en de Leicester Haymarket hebben beide een kwart van hun werknemers ontslagen. Het Liverpool Playhouse zegt dat het moet sluiten tenzij er in 1991 aanvullend inkomen wordt gevonden. Hetzelfde geldt voor het Lyric in Hammersmith. 'Zwart' theater en kindertheater zijn gedecimeerd. In plaatsen als Leatherhead, Farnham en Basingstoke zijn de eigen toneelgezelschappen opgedoekt en worden de theaters gevuld met 'try-outs' van West End-voorstellingen of co-produkties.

Roger Redfarn, artistiek directeur van het Theatre Royal in Plymouth, zegt dat zijn schouwburg 'een schoolvoorbeeld van Thatcherite theater' is geweest, maar dat elke produktie met meer dan twaalf acteurs inmiddels te duur is geworden. 'Variety en music hall zijn in dit land uitgestorven en ik verwacht dat regionale theaterprodukties over niet te lange tijd hetzelfde lot wacht', aldus Redfarn.

Andrew Leigh: ' Het succes van langlopende musicals als Miss Saigon vormt een rookgordijn. Een dergelijke produktie kun je niet op poten zetten als de infrastructuur niet aanwezig is. Iedere acteur die daarin een rol speelt, heeft zijn wortels liggen in de provincie.'