Grenzen weg voor wapenindustrie

DEN HAAG, 31 okt. De Nederlandse regering is voorstander van een Europese defensiemarkt zonder binnengrenzen. Op initiatief van staatssecretaris van Voorst tot Voorst (defensie) heeft het kabinet het standpunt ingenomen dat de defensie-industrie in de Europese Gemeenschap net zo wordt behandeld als civiele bedrijfstakken. Dit zal volgens Den Haag ook de samenwerking tussen de Europese defensieproducenten stimuleren.

Nu nog kan op grond van artikel 223 van het EEG-verdrag de produktie van en de handel in wapens, munitie en ander oorlogsmaterieel worden onttrokken aan de regelingen van de gemeenschappelijk markt in de EG. De mededingingsbepalingen van de Gemeenschap worden in deze sector vrijwel niet toegepast. Het artikel biedt elke lidstaat daartoe gelegenheid wegens 'de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid'. De regering in Den Haag is er voorstander van dit artikel te schrappen.

Het voorstel daartoe zal worden ingediend op de zogeheten intergouvernementele conferentie van de twaalf EG-lidstaden over de Europese Politieke Unie, die half december in Rome zal beginnen. Ook de Europese Commissie, het 'dagelijks bestuur' van de EG, heeft zich vorige week in een standpuntbepaling over de Europese Politieke Unie uitgesproken voor een soortgelijke ingreep.

Staatssecretaris Van Voorst tot Voorst zei gisteren dat het kabinet vrijdag zijn plan had aanvaard tijdens de bespreking van een notitie over de Europese Politieke Unie. Daarin staat onder meer dat samenwerking van de EG-landen op veiligheids- en defensiegebied kan worden ontwikkeld via afspraken over 'aspecten vandefensie-industriebeleid' en 'wapenexportbeleid'.

Volgens de bewindsman 'vraagt de logica dat men defensie onder de paraplu van de Europese Gemeenschap brengt'. Maar voor het volledig inpassen van de defensiepolitiek in de EG 'is de tijd nog niet rijp'. Het is nu niet de bedoeling om West-Europa van de Amerikaanse defensie los te koppelen, er is nog geen alternatief voor de NAVO, de kwestie van de neutraliteit van EG-lidstaat Ierland staat een EG-defensie nog in de weg. Er zou tevens een oplossing gevonden moeten worden voor de NAVO-landen Noorwegen en Turkije, die geen deel uitmaken van de Gemeenschap, aldus Van Voorst tot Voorst.

Ook al zijn commandostructuren op EG-niveau voorlopig niet aan de orde, op praktisch vlak kan heel goed een begin worden gemaakt met een defensiepolitiek van de Twaalf, zo meent de staatssecretaris. Het economische aspect van veiligheid leent zich daarvoor bij uitstek. Van Voorst tot Voorst noemt het in een tijd dat het Westeuropese veiligheidsbeleid op collectieve wijze is geregeld 'inconsequent' om de defensie-industrie te verdedigen op grond van nationaal-strategische belangen.

Een kwalitatief sterke defensie-industrie is in het belang van het hele Atlantische bondgenootschap, maar kan volgens de staatssecretaris het beste op het niveau van de Europese Gemeenschap worden geregeld. Afzonderlijke Westeuropese landen zijn niet meer in staat op eigen houtje nieuwe wapensystemen te ontwikkelen maar zouden dat gezamenlijk wel kunnen. Bovendien biedt de EG bindende regels op het vlak van de concurrentieverhoudingen en het exportbeleid, die zo op de defensie-industrie kunnen worden toegepast als artikel 223 is verdwenen. Dat maakt de Gemeenschap tot een geschikter kader van samenwerking bij wapenproduktie dan de Onafhankelijke Europese Programma Groep (IEPG), waarvan alle Europese NAVO-landen deel uitmaken.

De liberale Europarlementarier Gijs de Vries, die al jaren pleit voor een gemeenschappelijke defensiemarkt van EG-landen, is verheugd over het nieuwe Nederlandse standpunt. 'Als de EG op veiligheidsgebied een sterkere identiteit moet krijgen, is dit het minst moeilijke terrein', zegt De Vries. Artikel 223 uit het EEG-verdrag heeft volgens hem sterk concurrentievervalsend gewerkt zonder dat dit bewezen kon worden. Het weglaten van het artikel zal bovendien openbare aanbestedingen bij defensie-orders verplicht stellen, al wijst De Vries er direct op dat een produkt als jachtbommenwerpers 'niet in zijn totaliteit openbaar aanbesteed kan worden'.

Van Voorst tot Voorst noemt als belangrijkste motief voor zijn initiatief de verantwoordelijkheid die Nederland 'als middelgroot land' moet nemen. 'Het is niet goed om alle risico's die verbonden zijn aan de ontwikkeling van nieuwe defensiesystemen af te wentelen op de bondgenoten. Het meewerken aan gezamenlijke projecten is bovendien nuttig voor het eigen militaire apparaat. We zijn dan betrokken bij de technologische ontwikkelingen, draaien in alles mee en kunnen zo meebeslissen over de eisen waaraan het produkt moet voldoen, opdat het zo goed mogelijk aansluit op wat we al hebben.' Afwachten wat er op de markt komt, acht hij voor een land als Nederland onwaardig.

Dat is volgens de bewindsman bovendien schadelijk voor de Nederlandse defensie-industrie, die juist omdat ze nauwelijks eindprodukten aflevert veel heil kan verwachten van een open defensiemarkt in de EG. Als bijkomend voordeel ziet hij de goedkopere produktie die samenwerking op de EG-markt kan opleveren doordat 'het kostbare dupliceren van produktielijnen', zoals dat bij de huidige compensatieregelingen nog gebeurt, zal verdwijnen.

Van Voorst tot Voorst sprak gisteren over zijn ideeen tijdens een lunch met de Franse minister van defensie, Chevenement, die in Den Haag op bezoek was. Deze had nog geen mening gegeven, maar de staatssecretaris sluit niet uit dat de regering in Parijs gezien haar pro-Europese benadering geleidelijk afstand zal doen van de soevereiniteit bij de wapenproduktie. Opvallend is dat ook in de top van de Franse defensie-industrie veel belangstelling bestaat voor de Nederlandse benadering. Het Franse concern Thomson-CFF, de tweede fabrikant van defensie-electronica op de wereld, heeft onlangs van Philips de defensiepoot Hollandse Signaal Apparaten overgenomen. De bewindsman voorziet feller verzet van de Britten met hun 'moeilijk toegankelijke defensie-industrie'.