Breed onderzoek nodig naar energie voor het nageslacht

In een vorig artikel op deze pagina stelde ik de energievoorziening met aardolie aan de orde en de twijfel ook voor het optreden van Irak die de daling van het verbruik tussen 1979 en 1989 heeft veroorzaakt: zal deze doorgaan en zo ja, hoe lang?

Ik heb mij over de twee andere belangrijke energievormen, steenkool en aardgas, uitgelaten op grond van cijfers van de British Petroleum Review of World Energy, waarvan mij achteraf is gebleken dat de consumptie en de reserves (aan steenkool en aardgas) in verschillende eenheden zijn uitgedrukt. De Economic Unit van de redactie van het tijdschrift heeft op mijn verzoek de verhouding van de gebruikte eenheden aangegeven. Ik verschil met genoemde Unit van mening over de juistheid van hun werkwijze en kom daarop terug aan het einde van dit artikel.

Eerst wil ik de behandelde vraagstukken oplossen met gebruikmaking van wat de BP Economic Unit mij aanbeveelt. In de hier volgende tabel staan de cijfers vermeld, voor steenkool en aardgas, van (1) het verbruik in 1989, (2) het toegelaten verbruik en (3) de tijd die nodig is om het toegelaten verbruik te bereiken. Onder het toegelaten verbruik versta ik, zoals uiteengezet in mijn artikel van 22 juni 1990, het verbruik dat genoeg overlaat voor latere generaties (als de technische ontwikkeling even snel blijft gaan als in het verleden).

Voor zowel steenkool als aardgas zijn zes berekeningen gemaakt, gebaseerd op alternatieve data voor de groeivoet van het BNP (1965-1980 en 1980-1987) en van het verbruik van de beschouwde energievorm. Voor de laatste groeivoet is achtereenvolgens genomen die over het gehele decennium 1979-1989 en die over de twee helften (1979-1984 en 1984-1989). Als gevolg van de invloed van toevallige afwijkingen kan het daarbij gebeuren dat er cijfers uitkomen waarin geen technische ontwikkeling plaatsheeft. Deze gevallen zijn met een aangegeven. Er kan dan geen toegelaten verbruik worden berekend.

Feitelijk en toegelaten verbruik, en de tijd (in jaren) nodig om het toegelaten verbruik te bereiken, voor steenkool en aardgas.

De berekeningen I en II worden minder door toevallige componenten beinvloed, omdat zij gebaseerd zijn op de gehele periode 1979-1989. De interpretatie van de cijfers lijken mij dat die voor aardgas in meerderheid wijzen op een te hoog gebruik. In drie van de vier gevallen is het verbruik al hoger dan het toegestane en vielen die twee in het verleden al samen. Dit klopt met de in het voorafgaande artikel gestelde diagnose dat er te veel aardgas wordt verbruikt.

Voor steenkool daarentegen is in alle gevallen het toegestane verbruik hoger dan het feitelijke en ligt hun samenvallen in de toekomst. Hier heeft het gebruik van de door de BP Review aanbevolen eenheden tot de conclusie geleid dat het verbruik van steenkool nog kan worden uitgebreid. Overigens is daarbij dan geen rekening gehouden met juist voor steenkool belangrijke gevolgen van een hogere CO-uitstoot.

Als economist moet ik tenslotte nog een vraagteken zetten bij de methode die de BP Review gebruikt om de eenheid ton steenkool te transformeren in ton olie-equivalent (de twee eenheden die in de Review worden gebruikt voor respectievelijk reserve en verbruik). Deze methode bestaat uit het vergelijken van de calorische waarde. Met andere aspecten, zoals bijvoorbeeld transportabiliteit of de reeds genoemde vervuiling van de atmosfeer, wordt geen rekening gehouden. Nu is dat 'rekening houden met' gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het vereist berekening en waardering van de schade door bijvoorbeeld kooldioxide veroorzaakt (broeikaseffect) en soortgelijke effecten. Dat lijkt een aanvaardbaar excuus voor de BP Review. Maar de hierboven gegeven cijfers kunnen alleen als aanduidingen van de orde van grootte worden gezien.

Bovendien zou de verdere expansie van de wereldproduktie van goederen en diensten ook nog ter wille van latere geslachten kunnen worden ontraden, omdat andere natuurlijke hulpmiddelen schaars zouden worden. Ik denk aan metalen of landbouwgrond. Zeer breed opgezette onderzoekingen blijven dus nog urgent.

    • J. Tinbergen