Toerist op Antarctica

Touroperators hebben Antarctica ontdekt. Welgestelde individualisten met heimwee naar de wildernis cirkelen in kleine vliegtuigjes boven de Weddell Zee, bezoeken de broedkolonies van zeevogels en robben, skien op Mount Vinson en maken excursies per helikopter naar de geografische zuidpool. Iets minder exclusief, maar nog steeds de moeite waard is een cruise op een Argentijns, Chileens, Duits, Grieks of zelfs Russisch toeristenschip of een vliegtripje vanuit het zuidelijkste puntje van Zuid-Amerika naar de Chileense basis op King George Island, waar je in een hotel kunt overnachten en uitstapjes maken naar de pinguins onder leiding van een gids.

Sinds de jaren zestig varen Zuid-Amerikaanse toeristenschepen over de 's zomers redelijk ijsvrije zee naar het Antarctisch Schiereiland en de naburige eilanden, terwijl er plannen bestaan om met grote ijsgaande schepen de toeristen ook een stuk zuidelijker te gaan vervoeren. Ook bevoorradingsschepen nemen regelmatig toeristen mee.

Jaarlijks trekken zo'n 4000 vakantiegangers de verre, nog tamelijk ongerepte, maar o zo kwetsbare Antarctische natuur in. Nu het ecotoerisme in de lift zit en vliegen steeds goedkoper wordt, is de verwachting dat hun aantal de komende jaren explosief zal stijgen, met alle gevolgen vandien.

Wordt het geen tijd om hieraan paal en perk te stellen en zo ja, hoe dan? Dat is de vraag die vogelbioloog Ko de Korte aan de orde stelt in de Circumpolar Journal van het Arctisch Centrum van de Rijksuniversiteit Groningen.

Het direct ervaren van een stukje ongerepte wildernis, schrijft hij in zijn inleiding, heeft voor sommige mensen een waarde, die niet in geld is uit te drukken, maar misschien te vergelijken is met muziek, poezie, religie of antieke bouwkunst. Maar voor de flora en fauna ter plaatse zal massatoerisme funest zijn.

De schaarse vegetatie, die in het ijzige klimaat maar heel langzaam groeit, zal door betreding snel verdwijnen als er iedere week een groep toeristen rondstapt. En ook voor de dieren, hoe mak ze ook zijn, werkt al te veel belangstelling verstorend.

Een totaalverbod van toerisme op Antarctica zal het natuurbehoud daar waarschijnlijk geen goed doen, want om medestanders te krijgen voor het natuurbehoud moeten mensen in principe de kans kunnen krijgen het gebied met eigen ogen te aanschouwen. Gezien de huidige passagekosten, schrijft De Korte zonder een spoor van cynisme, behoren de passagiers nu nog vaak tot kringen waar men invloed kan hebben op de politieke besluitvorming. Zij zijn dus welkom, maar er zijn grenzen.

Internationaal overleg heeft inmiddels geleid tot het aanwijzen van enkele gebieden als Specially Protected Areas of Sites of Special Scientific Interest en bona fide touroperators zullen deze plaatsen mijden, maar de aanbevelingen zijn niet bindend en sancties ontbreken.

Vandaar het pleidooi voor een internationaal erkend lichaam dat criteria vaststelt voor toeristische ondernemingen op Antarctica. Zoals de zaken nu liggen beschouwen landen als Argentinie en Chili hun deel van het grondgebied als binnenlands territorium waar ze naar eigen goeddunken kunnen opereren. Verder zou men uiterst terughoudend moeten zijn met het ontsluiten van nu nog ongerepte gebieden en daar waar al wel toerisme voorkomt, zou een goede milieu-effectrapportage moeten komen. Het toerisme zou zich het beste op enkele, goed te controleren gebieden kunnen concentreren, bijvoorbeeld rond een onderzoeksbasis waar de natuurlijke omgeving nu toch al verstoord is.

Om te voorkomen dat mens en dier elkaar straks op de kleine ijsvrije gebiedjes staan te verdringen, moet er een quotum worden vastgesteld voor het toe te laten aantal toeristen en voor de maanden waarin zij welkom zijn. Hierbij valt veel te leren van toeristengebieden als Spitsbergen en de Galapagos. De kosten van het toezien op de regels, in dit uitgestrekte gebied in de praktijk alleen haalbaar met behulp van satellieten, zouden moeten worden opgebracht uit een speciaal controle- en rampenfonds, waarvoor iedereen die naar Antarctica reist, een toeslag zou moeten betalen.

Behalve bovengenoemd artikel bevat het huisorgaan van het Arctisch Instituut 48 paginaatjes op A3 formaat in een wit-kartonnen kaftje, twee kaartjes en een tekening, geen overbodige rimram ondermeer een bijdrage van een geleerde van het Archeologisch instituut van Moskou over het onderzoek naar de overblijfselen van Russische pelsjagers op Spitsbergen. In een naschrift meldt de redactie nadrukkelijk dat de Russische auteur zelf verantwoordelijk blijft voor de inhoud van zijn tekst, die de Russische versie weergeeft en niet de in het westen gebruikelijke versie. Maar over het verschil tussen beide standpunten blijft de lezer in het duister tasten. Een kleine redactionele misser van de redactie is ook het feit dat middenin het blad, onder het kopje 'Instituten', ineens wordt overgeschakeld op het Engels voor een reportage over het Delta Instituut voor Hydrobiologisch Onderzoek in Yerseke. Dat lag blijkbaar nog ergens op een plank. En we kunnen het zo ook wel lezen.