Rechter hoeft slachtoffers F. niet meer te horen

De waarheid in de zaak-F. Uit de hoek van slachtoffers van seksueel geweld en hun advocaten wordt nogal eens de klacht gehoord dat het bewijs van verkrachting of ontucht zo moeilijk is te leveren. Een groot struikelblok zou daarbij zijn dat het Wetboek van Strafrecht met een getuige geen genoegen neemt, terwijl er in dit soort zaken meestal maar een getuige beschikbaar is, het slachtoffer zelf.

Uit de strafzaak tegen F., de directeur-psychiater van de Heldring Stichting in Zetten, blijkt weer eens dat dit probleem zich in de praktijk nauwelijks voordoet. De rechtbank heeft de bewezenverklaring voornamelijk gebaseerd op de verklaringen van de slachtoffers, aangevuld met de verklaringen die de slachtoffers in een vroeg stadium aan hulpverleners en anderen hebben gedaan. Strikt genomen is op deze manier een getuige wel voldoende, de zogenoemde de auditu getuige doet immers niet veel meer dan de verklaring van het slachtoffer herhalen.

Deze versoepeling van het bewijsrecht geldt, sinds de Hoge Raad de mogelijkheid daartoe opende, voor alle soorten strafzaken. Als er slechts een getuige beschikbaar is, komt de betrouwbaarheid van die getuige centraal te staan. De rechter moet niet alleen voldoende bewijsmiddelen hebben, hij moet volgens de wet ook 'overtuigd' zijn. Anders volgt vrijspraak.

Vandaar dat twee strafrechtsadvocaten in het Nederlands Juristenblad NRC Handelsblad van 19 oktober hamerden op het recht van de verdachte om op de openbare terechtzitting vragen te stellen aan de slachtoffers /getuigen. De verdediging in seksueel-geweldzaken zal het immers vooral moeten hebben van het ondermijnen van de geloofwaardigheid van de slachtoffers /getuigen. En wat is dan mooier dan een getuige die voor de ogen van de rechter door de mand valt. Dat de slachtoffers al zoveel hebben geleden, mag geen reden zijn om ze niet opnieuw aan ondervraging te onderwerpen.

Ik meen echter dat het Hof in Arnhem vandaag en morgen alle ruimte heeft om te beslissen dat F. of zijn raadsman geen vragen mogen stellen aan de Zettense slachtoffers. Niet omdat de vrouwen 'zo zielig' zijn, maar omdat de wet daartoe hele concrete mogelijkheden geeft, wanneer de vragen al eerder gesteld zijn of wanneer zij voor het bewijs niet nodig zijn. Aangezien het Hof 'overtuigd' moet raken, is het aan het Hof om te bepalen wat daarvoor nodig is.

De vrouwen hebben hun verhaal al talloze malen verteld, sommigen al sinds 1973. Wat kunnen zij doen om de overtuiging van het Hof te beinvloeden? Huilen, schreeuwen, dichtklappen of juist gedetailleerd vertellen? Wat moet het Hof daaruit opmaken? Dat de getuigen geloofwaardig zijn of juist niet? In dit stadium lijkt een hernieuwde confrontatie tussen de slachtoffers en F. meer te kosten dan het kan opbrengen. Bovendien is de vraag of het strafrechtssysteem wel in staat is de absolute waarheid boven water te krijgen en of daarnaar wel moet worden gestreefd.

In de zaak-F. staan twee bewustzijnswerelden tegenover elkaar. Wat voor de slachtoffers vernederend en vernietigend seksueel misbruik is, beschouwt F. althans dat pretendeert hij als rationeel, zinvol handelen in een therapeutische setting. Twee waarheden tegenover elkaar. Niet valt uit te sluiten dat F. zichzelf in de loop der jaren ervan heeft weten te overtuigen dat het uitleven van zijn seksuele behoeften therapeutisch handelen was. Evenmin valt uit te sluiten dat slachtoffers in alle oprechtheid eerdere seksuele ervaringen verdrongen incestervaringen bijvoorbeeld op F. projecteren. Soms is de waarheid zo gruwelijk dat zij onzegbaar en het slachtoffer letterlijk sprakeloos is geworden, zoals in de Mourikse incestzaak het geval was.

Ik denk dat het vrijwel onmogelijk is de waarheid te vinden in de krochten en spelonken van het seksuele bewustzijn en onderbewustzijn. Ook alle Wagenaars en Frenkens van deze wereld (er staat weer een fors aantal deskundigen op de lijst om gehoord te worden door het Hof in de zaak-F.) zullen de strafrechter daarbij nauwelijks kunnen helpen. Dat ook psychologen niet de enige waarheid in pacht hebben, bleek wel uit de Bolderkar-affaire. Rechters zijn eraan gewend in de marge van hun 'onwetendheid' te oordelen. Daaraan doet de opzienbarendheid van de zaak-F. niet toe of af.