Neerslaan studentenopstand was panische aberratie; Sanctiestegen China effectief

Met de opheffing van EG-sancties tegen China opgelegd wegens de moorddadige onderdrukking van het studentenprotest vorig jaar is dit grootste bolwerk van communisme oude stijl weer nagenoeg volledig deelnemer in het internationale politieke spel geworden. Alleen militaire sancties zullen van kracht blijven, maar de Fransen lijken al oude raket- en helikoptertransacties die voor 4 juni 1989 waren geentameerd, te hervatten. Japan zal spoedig een nieuw pakket leningen beschikbaar stellen en Engeland zal volgende maand als eerste Westers land weer een Chinese topleider, de president van het Nationale Volkscongres, Wan Li, ontvangen. Een stroom van ministers, te beginnen uit Frankrijk, Italie, Spanje en Duitsland zal de komende maanden in Peking arriveren.

Er bestaat echter wijd en zijd misnoegen en cynisme over het 'gemak' waarmee China van de sancties is afgekomen. De perceptie is dat China de intrekking niet aan eigen berouw en boetedoening dankt, maar aan de bozere en recentere demoon Saddam Hussein, wiens buitensporigheden China een gouden kans hebben verschaft om 'diplomatiek goed gedrag' te tonen terwijl er van een keer ten goede in de binnenlandse politiek geen sprake is. Saddams overweldiging van Koeweit en zijn gijzeling van duizenden personen als menselijke schilden was de meest schokkende gebeurtenis in de wereld sinds de tragedie in Peking en Saddam is nu het vervangende doelwit voor internationale collectieve woede geworden. Maar er blijft een vage notie hangen dat China tot dezelfde paria-klasse behoort als Irak.

Aberratie

Advocaat van de (Chinese) duivel spelen is een riskante zaak, maar de gelijkstelling China-Irak is onbruikbaar. De Chinese furie van 3/4 juni 1989, hoewel niet ongewoon in China's lange wrede geschiedenis, was de panische aberratie van een ineengestorte commando-structuur. Een exces van die omvang lijkt anderhalf jaar na de gebeurtenissen een eenmalige misstap te zijn geweest van een regime dat sinds de dood van Mao Zedong in 1976 een staat van dienst van relatieve matiging en internationale respectabiliteit had. Bovendien was het een binnenlandse aangelegenheid die meer dan enig vergelijkbaar incident werd geuniversaliseerd door de overvloedig aanwezige media die overigens niet toestroomden wegens de studenten-agitatie, maar wegens het bezoek van Sovjet-president Michail Gorbatsjov.

Saddam Husseins misrekening van 2 augustus 1990 was daarentegen de culminatie van tien jaar bloedig avonturisme in binnen- en buitenland, inclusief een beduidende rol in het internationale terrorisme. 'Irak heeft zijn legitieme recht uitgeoefend om het zuidelijk deel van het moederland te reabsorberen' zei de Iraakse ambassadeur in China vlak voor de uitsluiting van zijn land van de Aziatische Spelen in Peking in september. Hij stelde daarmee Koeweit op een lijn met Hongkong dat in 1997 legitiem door het moederland zal worden gereabsorbeerd. Daarover heeft China twee jaar (1982-1984) met het Verenigd Koninkrijk onderhandeld, waarop nog eens een overgangsfase van dertien jaar moest verlopen, waarvan nog zes en een half jaar resteert.

Stel dat China niet over Hongkong had onderhandeld, een muitend en plunderend 'Volksbevrijdingsleger' op de kroonkolonie en op de andere irredenta, Taiwan, zou hebben losgelaten en het Westerse zakenleven daar de 'Iraakse vorm van gastvrijheid' zou hebben verleend, pas dan zou China de abjecte diepten van Irak benaderen. Maar alleen nog maar benaderen, want als China uit nationale frustraties nog eens zo jingoistisch zou worden dat het Hongkong alsnog gewelddadig zou inlijven en een invasie van Taiwan zou lanceren, dan nog zou de wereld het volkenrechtelijk niets kunnen maken, want Hongkong en Taiwan worden door de overgrote meerderheid van staten als deel van China erkend.

Weggeebd

'Wat China in Tibet heeft gedaan is dat niet even erg als het optreden van Saddam?' vroeg een scepticus. Het is in elk geval minder erg dan Saddams inzet van chemische wapens tegen zijn eigen Koerdische minderheid en daarover heeft de wereld de schouders opgehaald juist omdat het een binnenlandse aangelegenheid was.

Het andere omstreden punt is of er in China sinds die noodlottige 4 juni iets ten goede gekeerd is. Wel, de weerzinwekkende repressie die op de bloedige juni-dagen volgde, heeft een maand of vier, vijf op volle kracht gewoed en is daarna weggeebd. In januari werd de staat van beleg in Peking opgeheven en in mei in Tibet. In drie lichtingen werden 881 politieke gevangenen vrijgelaten en eind juni werd een akkoord bereikt over het vertrek van de gesel van China's bejaardenkliek, de astrofysicus Fang Lizhi, die zich met zijn vrouw ruim een jaar in de Amerikaanse ambassade heeft schuilgehouden. Zijn achtergebleven zoon Fang Zhe heeft zich inmiddels bij zijn ouders in Cambridge, Engeland gevoegd. De kinderen van andere, eerder gevluchte dissidenten, zoals Yan Jiaqi en Su Shaozhi, beiden voormalige politieke en ideologische adviseurs van de afgezette partijleider Zhao Ziyang, hebben eveneens het land verlaten.

Bij elke stap riepen de Chinese machthebbers luid en lang dat dit geen toegeven aan buitenlandse druk was en dat de sancties wel pijn deden maar China nooit op de knieen zouden dwingen. De ervaren toehoorder weet wel beter. Intrekking van de sancties verkrijgen en weer respectabel worden in de wereld zonder causaal verband met het effect van de sancties toe te geven, zijn de dominerende drijfveren van China's politiek sinds 4 juni 1989 geweest. 'Je lijdt geen gezichtsverlies als je dat niet erkent' zo luidt de Chinese logica.

Afgezien van China's cooperatieve houding in de Golf-crisis, was er een andere belangrijke reden waarom de sancties konden worden opgeheven, namelijk dat zij in wezen hun doel hebben bereikt. Het maximale doel was dat de repressie zou eindigen en dat de economische hervormingen van de jaren tachtig zouden worden hervat. De repressie is aanzienlijk verzacht, hoewel er van een nieuwe liberalisering geen sprake is. Er zijn al vanaf begin dit jaar aanzetten tot hervatting van de economische hervormingen, eveneens zonder dat er een doorbraak is. Maar er is een diep besef dat terugkeer naar de stalinistische plan-economie, zoals met zoveel venijn gepoogd, door een handvol hoogbejaarden en hun jongere marionetten Li Peng en Jiang Zemin heilloos is. Ideologische obsessies botsen nu frontaal met economische realiteiten.

Decreten

Peking vaardigt decreten uit over centralisering, maar populaire provinciale gouverneurs en burgemeesters van grote steden die concrete economische problemen moeten oplossen, negeren die. Jongere bestuurders en economen zeggen dat grootschalige en systematische hervatting van vrije markt-hervormingen de enige uitweg vormen, maar het dilemma is hoe je dat doet, zolang de oude heren in de weg lopen en zonder in chaos te belanden. De Sovjet-Unie is in dit opzicht geen lichtend voorbeeld en Li Peng is te zwak en te gehaat om risico's te nemen. Bezoekende VIP's, diplomaten en andere waarnemers zijn unaniem van mening dat een grote schoonmaak in de Chinese topleiding onvermijdelijk is, vlak na of wellicht nog voor de dood van enige oude mannen en dat de overlevingskansen van de door hen geinstalleerde protege's niet erg groot zijn. De opheffing van de sancties en een nieuwe stroom van hoge bezoekers uit het Westen zouden de ontknoping heel goed kunnen bespoedigen, in positieve zin.