Mysterieuze wagens in een echokelder

De moeilijkst denkbare en ondankbaarste expositieruimte is waarschijnlijk de betonkuil onder het stadhuis van Almere-Stad, toegankelijk via een schuilkeldertrap die slechts gevonden kan worden na een zoektocht over de barre vlakte van het Stadhuisplein waar zand en ander stof door de eeuwige polderwind in de lucht worden gehouden. De put met het souterrain werd uitgespaard met de bedoeling er een cafe-restaurant in te vestigen, maar daar werd wijselijk van afgezien. Om althans voorlopig van de zorg over de bestemming af te zijn, werd het grijsbetonnen keldergewelf voor vijf jaar toegewezen aan de gemeentelijke Directie Kunstzaken van Almere, die dus werd opgezadeld met de opdracht er ondanks alles belangstellenden voor tentoonstellingen heen te lokken. Zo ontstond Aleph, het centrum voor hedendaagse kunst Almere.

Om er exposities te organiseren kan alleen maar van de nood een deugd worden gemaakt, moet juist worden uitgegaan van de onbehaaglijke grijze betonkilte in deze echokelder waar je niet zomaar schilderijen kan ophangen of beelden neerzetten. Een tentoonstelling krijgt hier slechts enige kans als er sprake is van een installatie. Zoals verleden jaar die reusachtige houten trapconstructie van Pjotr Muller, uitkomend op een plateau met daarin verzonken spiegels. Die spiegels communiceerden met een architectonisch grapje dat Cees Dam, ontwerper van het stadhuis in Almere, toch nog voor de betonkelder over had. Hij bracht in een hoek van de ruimte in het plafond spiegels aan onder zo'n hoek dat via smalle raamsleuven het Stadhuisplein werd weerkaatst, maar dan negentig graden gekanteld. Op die manier zouden althans enkele bezoekers van het cafe dat er nooit kwam contact kunnen houden met de tot een hoge muur verheven buitenwereld. Muller nam het gekantelde spiegelbeeld op in zijn kunstwerk.

Ook de tentoonstelling die nu in Aleph is ingericht is een zorgvuldig opjuist deze ruimte afgestemde opstelling. De beeldhouwer Cornelius Rogge realiseerde er zijn project Wagens. Het bestaat uit acht schematische vierwielers. Grote metalen spaakwielen dragen op hun assen ieder een lang en zwaar gietijzeren slagzwaard, dat een bronzen weerschijn heeft. Alleen de centrale wagen vervoert een gezelschap van zeven maskerachtige koppen. In het schaarse licht werpen de cirkels van de wielen met hun spaakstralen hun grille schaduwen op de grijze bodem, om de wagens heenlopend vormen de karren een per meter wisselend patroon met ronde en rechte lijnen, alleen de zeven starre maskerkoppen blijven op hun plaats.

Rogge (57) wordt ergens aangeduid als een beeldhouwer van archaische onderwerpen en dat is juist. Zijn werk behelst dikwijls verbeeldingen rondom een mogelijke prehistorie. Het wiel was net uitgevonden, het vuur brandde voor het eerst, de onzichtbare mensen leefden in de schaduw van een onbegrepen mysterie, dat slechts met vrees, ontzag en rituelen benaderd kon worden. Rogge's beelden hebben te maken met oerkrachten, het bovenzinnelijke, mystiek en mystificatie, vergankelijkheid en eeuwigheid die bij hem zeker niet elkaars tegendelen zijn.

In de jaren zeventig trok Rogge de aandacht met zijn tentenproject in en bij het Museum Kroller-Muller. Hij maakte toen het tentenkamp van een geheimzinnige, ons in wijsheid voorgaande stam. De tent bleef later in zijn bouwsels een beschuttende rol spelen. Er kwamen ook tafelvormen en tabernakels. Nu rijden Rogges wagens in hun bezwerende formatie door de Alephgrotten, zwijgend, stil en mysterieus, op weg naar een onbekende bestemming in waarschijnlijk een andere wereld. De lange zwaarden kunnen ook gezien worden als langgerekte lichamen, de koppen in de centrale wagen kunnen de zielen zijn van in veldslagen gevallenen. Het project verbeeldt een stil ritueel, dat elke bezoeker met zijn eigen gedachten en fantasie gestalte moet geven. De Alephkelder wordt met de Wagens van Rogge optimaal gebruikt.