Leraren zijn Zoetermeerse veranderdrift meer dan beu

Vorige week zijn de onderwijsvakbonden door ondertekening van een convenant akkoord gegaan met de invoering van de basisvorming. Als ook de Tweede Kamer het wetsvoorstel overneemt, zullen straks alle leerlingen in het voortgezet onderwijs ten minste twee jaar lang dezelfde veertien vakken volgen, op hetzelfde niveau.

Het aantal lesuren wordt in die jaren uitgebreid van 30 naar 32, er komen nieuwe vakken als techniek en informatiekunde en van de zogeheten vrije ruimte (twintig procent van de totale tijd) moet de helft worden besteed aan studievaardigheid en studie- en beroepskeuzevoorlichting. De inhoud van de vakken wordt bepaald door wat staatssecretaris Wallage kerndoelen noemt: omschrijvingen van wat leerlingen na de basisvorming moeten weten en kunnen.

Voorwaarde voor basisvorming is dat de scholen in het voortgezet onderwijs gaan fuseren. Alleen dan zijn betere kansen voor iedereen de doelstelling van de basisvorming gegarandeerd.

Voor categoriale scholen (scholen met een enkel soort onderwijs), zo viel al in het Regeerakkoord te lezen, gaat een opheffingsnorm gelden van 240 leerlingen. Voor scholengemeenschappen geldt een minimum van 360 leerlingen. Om de vorming van brede scholengemeenschappen (LBO tot en met VWO) te stimuleren staat de staatssecretaris nevenvestigingen toe, met name op het platteland. 'Financiele prikkels' moeten scholen er toe bewegen zo breed mogelijke scholengemeenschappen te maken.

In september 1989 waren er in Nederland op een totaal van 1794 scholen voor voortgezet onderwijs 23 brede scholengemeenschappen, 186 scholengemeenschappen voor HAVO en VWO en 239 scholengemeenschappen voor MAVO, HAVO en VWO. Toch waren er nog altijd meer categoriale scholen:561 MAVO's en 307 LBO's. Als het een beetje kan, fuseren scholen liever niet.

Uit een enquete van het Rotterdamse Instituut voor sociologisch en bestuurskundig onderzoek (RISBO) bleek onlangs dat de meeste leraren (52 procent) weinig voelen voor basisvorming. Dertig procent heeft geen mening en niet meer dan 18,4 procent is voorstander. Op scholengemeenschappen voor MAVO, HAVO en VWO is zelfs zeventig procent tegen en maar 11 procent voor. Een onderzoek in 1985 leverde vergelijkbare resultaten op.

De onderzoekers noemden het opvallend dat de verschillen tussen de regeringsvoorstellen in 1985 en die van een paar jaar later geen invloed hebben op de meningsvorming van leraren. ' Kennelijk', zo concludeerden ze, ' lezen leraren de publikaties en rapporten niet erg goed en waart wat hen betreft de geest van de Middenschool nog steeds rond.' Deze leraren weten niet wat kerndoelen zijn, dat er 32 lesuren komen en hoe de vrije ruimte er uit gaat zien.

Leraren willen wel veranderingen in het onderwijs, maar niet die van het ministerie van onderwijs, zo wees de enquete verder uit. Die zijn ze (61 procent) ' meer dan beu'.

De echte problemen in het onderwijs worden er niet mee opgelost: ongeconcentreerde en ongemotiveerde leerlingen zullen er ook na de basisvorming zijn. Dat probleem kan alleen worden opgelost als de klassen kleiner worden, de grote wens van veel leraren. Van basisvorming en de daarmee samenhangende fusies verwachten ze eigenlijk alleen maar ' meer ziekteverzuim en minder arbeidsvreugde'.