Kapitein Mingo

In Nederlandse woordenboeken, zo schreef ik in de eerste aflevering van deze serie, zijn zeker zo'n duizend eponiemen of 'naamwoorden' te vinden. Maar ook zijn er enkele die door bijna alle woordenboekenmakers over het hoofd zijn gezien. Het meest opmerkelijke voorbeeld hiervan komt uit de Camera Obscura.

Als Hildebrand en Pieter Stastok tijdens een wandeling uitkomen bij koffiehuis De Noordstar besluiten ze een partijtje te biljarten, zo schreef Nicolaas Beets in 1839 in de Camera Obscura. Na een tijdje willen andere jongens meespelen en hiervoor moeten ballen uit een korf worden gegraaid.

'Pieter', observeert Hildebrand, 'die ik ondertussen als geen grote Mingo had leren kennen, (stak) zijn hand almede manmoedig in de korf.' Maar Stastok blijkt een uiterst krakkemikkige speler en een paar bladzijden verder staat er: 'De een noemde hem een Mingo, de ander een blauwbaard, de derde een boa constrictor... '

Het woord Mingo sloeg aan. Op 26 april 1885 schreef J. G. Frederiks in de Nieuwe Amsterdamsche Courant: 'Nog geen mingo is eene vrij algemeene zegswijze onder de biljartspelers, die men hoort, wanneer er van de partij zijn, bij wie het spel nog geen ernst geworden is'. Omgekeerd noemde men 'een uitstekend biljartspeler' een mingo. Hildebrand, vervolgde Frederiks, verbreidde de term onder duizenden lezers en verzekerde daarmee 'zijne toekomst gedurende een heel langen tijd'.

Maar Frederiks zat er flink naast. Mingo zou bij mijn weten slechts in een negentiende-eeuws woordenboek worden opgenomen en daarna in het niets verdwijnen, Hildebrand ten spijt. Ook de man die zijn naam aan dit woord verbond, raakte geheel in de vergetelheid.

Die man heette overigens geen Mingo maar Francois Mingaud en hij werd op 4 januari 1774 te Cail in Frankrijk geboren. In 1828 verscheen in Brussel zijn boekje Noble jeu de Billard waarvan de ondertitel luidt, in vertaling: 'Buitengewone en verrassende stoten die de bewondering oogstten van de meerderheid der Europese vorsten'. Mingaud noemt zichzelf op het titelblad 'voormalig kapitein van de infanterie in het Franse leger' en volgens Frederiks werd hij in het cafe graag 'Monsieur le Capitaine' genoemd. Mingauds boek was een succes en in 1835 werd het in het Engels vertaald.

Mingaud kwam op gevorderde leeftijd naar Nederland. Hij was van zijn eerste vrouw gescheiden en trouwde op 30 september 1835 in Rotterdam met een zekere Coosje Hegelmeyer. Coosje was toen eenenzestig, Mingaud vierenzestig. Het echtpaar woonde op de Hoogstraat 305 in Rotterdam, waar Coosje een 'dameswinkel' had. 'Mingaud was daar de monsieur van; op de bovenachterkamer studeerde hij wetenschappelijk alle stooten, die hij onbedrevenen door toeval had zien maken.'

Mingaud stierf op 23 december 1847, drieenzeventig jaar oud. Tegen die tijd bestonden er al enkele kwalijke roddels over hem. 'Het werd hem nagegeven dat hij zijne kunst volmaakt had in eene staatsgevangenis, omdat hij als genie-officier onze regeering bedrogen had: voor zoover het Nederland aangaat, bestaan titel en misdrijf in de verbeelding der vertellers', aldus Frederiks.

Beets was zeer over het 'ijverige, niet altijd even gemakkelijke' speurwerk van Frederiks te spreken, zo schreef hij in 1887 in Na vijftig jaar. Noodige en overbodige opheldering van de Camera Obscura. Het artikel wees hem erop dat hij Mingo verkeerd had gespeld en in latere drukken van de Camera Obscura werd dit dan ook veranderd. Beets pleitte er zelfs voor om een gedenksteen aan te brengen op het huis waar Mingaud in Rotterdam had gewoond, al vroeg hij zich af welke 'physiologische en psychologische' invloed zijn verblijf in Nederland had gehad op 'zijne buitengewone virtuositeit op de baltafel'.

Helaas, het heeft niet zo mogen zijn.

Rotterdam plaatste geen gedenksteen en droeg er daardoor aan bij dat Mingo en Mingaud geheel in het niets verdwenen.