Jerusalem Post is niet van de regering

Evenals professor Van Doorn lees ook ik meer dan een dagblad. Meestal valt Het Parool eerder bij mij in de bus dan NRC Handelsblad, zodat ik Het Parool ook eerder doorkijk.

Op donderdag 25 oktober bevatte Het Parool op de media-pagina een bericht met de kop 'Columnist NRC biedt excuus aan'. Het begon als volgt: 'De column van J. A. A. van Doorn op 18 oktober onder de kop Israelisch zelfbedrog gepubliceerd in NRC Handelsblad is vandaag gevolgd door een column waarin hij zijn excuus aanbiedt aan de lezer. Hij heeft oprecht spijt dat zijn stuk als 'generaliserend kan worden begrepen', enzovoorts.

Vol ongeduld wachtte ik dus op de komst van NRC Handelsblad van diezelfde dag en las daarna direct de reactie van Van Doorn. Ondanks zorgvuldig lezen kon ik echter niet vinden dat deze nieuwe bijdrage werkelijk een verontschuldiging inhield voor wat hij een week eerder schreef. Daar Van Doorn zich in zijn weerwoord tweemaal afkeurend uitlaat over mij, naar aanleiding van dingen die ik bij twee verschillende gelegenheden geschreven had (waar blijft overigens de door Van Doorn zozeer voorgestane vrijheid van meningsuiting?) moge ik hier op enige punten van zijn betoog nader ingaan.

Het excuus van Van Doorn, zo het al een excuus is, betreft niet de feitelijke onjuistheden in zijn eerdere column die hij, naar hij schrijft, 'om redenen van plaatsruimte moet laten rusten'. Het excuus geldt uitsluitend daarvoor dat hij zich blijkbaar niet voldoende duidelijk heeft uitgedrukt, zodat de onjuiste indruk is gewekt dat hij alle Israelische media en zelfs alle joodse journalisten over een kam scheert en hun gelijkelijk beschuldigt van vooringenomenheid en zelfcensuur. Graag wil ik aannemen dat de indruk die hij bij velen heeft gewekt onjuist is. Van Doorn is echter niet zo maar de eerste de beste, maar (emeritus) hoogleraar in de sociologie. Van een hooggeleerd schrijver mag men toch aannemen dat hij zich duidelijk uitdrukt.

De verdere paragrafen van zijn bijdrage van 25 oktober zijn echter eerder een bevestiging van de indruk die ik van zijn eerste bijdrage had gekregen dan een geloofwaardige spijtbetuiging. Opnieuw citeert hij een Amerikaans-joodse journalist ten bewijze dat Israel censuur uitoefent en van joodse journalisten elders en van joodse buitenlandse correspondenten in Israel zelfcensuur verlangt.

Merkwaardigerwijze leest hij blijkbaar gewoonlijk niet de bijdragen in deze krant van Salomon Bouman, die hij echter deze keer wel even citeert in een verband dat zijn stelling moet ondersteunen. Anders zou hij weten dat Bouman, evenals de eveneens door Van Doorn geciteerde Eddo Rosenthal (De Volkskrant en de NOS), gewoonlijk uitermate kritisch zijn tegenover Israel. Beiden zijn bovendien al ongeveer twintig jaar als Nederlands correspondent in Israel werkzaam, zonder dat hun ooit een strobreed in de weg is gelegd. Maar daarop wijst Van Doorn niet.

Aangezien Van Doorn, zoals reeds gezegd, 'om redenen van plaatsruimte' niet feitelijke onjuistheden in zijn eerdere column herroept, moge ik althans een daarvan corrigeren. Volgens hem hoe komt hij aan die informatie? zou geen enkele jood bij de Klaagmuur die achtste oktober door Palestijnse jongeren die van de rand van de Tempelberg stenen naar beneden gooiden zijn gewond. Er waren onder deze joden meer dan twintig gewonden; bovendien hadden andere Palestijnse jongeren, veelal afkomstig niet uit Jeruzalem maar uit Hebron, een politiepost op de Tempelberg in brand gestoken. Dit had Van Doorn uit alle berichten over het gebeurde kunnen weten, zowel in de Nederlandse en Amerikaanse als in de Israelische pers.

Blijkbaar leest Van Doorn niet de Israelische pers, noch de Hebreeuwse, noch de dagelijkse editie van de Engelstalige The Jerusalem Post. Over dit laatste blad put hij zijn informatie blijkbaar uit de tweede of derde hand. Zo schrijft hij in zijn commentaar van 28 oktober dat de Post begin dit jaar een nieuwe directie had gekregen die 'deed vrezen dat dit blad gedegradeerd zou worden tot een verlengstuk van de Israelische regeringspropaganda'. Merkwaardigerwijze voegt hij daaraan niet toe of deze vrees al dan niet gegrond was. (Zij is volkomen ongegrond.) Wel laat hij op deze zin onmiddellijk volgen: 'Zoals voorheen premier Begin, zo doet thans premier Shamir herhaaldelijk felle aanvallen op de Post'.

Het is niet duidelijk waarom, als de Post, zoals Van Doorn suggereert, thans een verlengstuk van de Israelische propaganda zou zijn geworden, Shamir 'thans' felle aanvallen op dit blad zou doen. Als bron gebruikt hij vier artikelen in de Nederlandse pers, waarvan twee van Arie Kuiper in het voormalige weekblad De Tijd , alle vier van begin januari dit jaar, terwijl het thans reeds eind oktober is. Had hij geen recenter materiaal?

De meeste bronnen die Van Doorn in zijn tweede artikel citeert dateren trouwens van nog vroeger van september 1982 tot februari 1988. Hij beschikt blijkbaar over een uitgebreid knipselarchief. Alleen is het blijkbaar zowel zeer selectief en eenzijdig samengesteld en vertoont het grote lacunes.

Ten slotte twee merkwaardige voorbeelden van gebrek aan logische argumentatie van Van Doorn waarin hij ook mij betrekt. In zijn eerste artikel schrijft hij na de gebeurtenissen op de Tempelberg: 'Ook in Nederland kwam de (Israelische) propagandamachine ogenblikkelijk in werking. R. Naftaniel, directeur van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel, ontwierp een soortgelijke constructie: een Palestijnse 'provocatie'. Nu was dit geen door Naftaniel ontworpen constructie, maar de algemene opvatting. Echter, in zijn column van een week later neemt hij juist Naftaniel in bescherming tegen mij. Hij schrijft:

'In een interview had deze (Naftaniel) zijn mening gegeven over de ontwikkelingen in Israel. Daarop reageerde mevrouw Boas in de Volkskrant van 5 maart 1988 op de volgende wijze: 'Naftaniel heeft, als ieder ander, recht op zijn eigen mening over Israel. Maar als zijn mening sterk afwijkt van die van het merendeel van de Israelische regering moet hij of als directeur van het CIDI zijn mond houden, of de moed hebben om af te treden en een andere baan te zoeken.'

Deze mening heb ik nog steeds. Maar wat Van Doorn betreft: het is dan ook nooit goed.