Honderd jaar na de ontdekking van de vitaminen; Het geheimvan het zilvervliesje

Van 1 tot 2 november wordt op een internationaal symposium herdacht dat honderd jaar geleden de eerste publikatie verscheen van Christiaan Eijkman. Door zijn werk werd de eerste vitamine ontdekt.

Aan het einde van de vorige eeuw was beriberi een ziekte die in de rijstetende landen een grote sterfte veroorzaakte. Ook in Nederlands Indie werd de ziekte gevreesd, vooral door militairen. Tijdens troepentransporten in de Atjeh-oorlog stierven gemiddeld tien soldaten aan beriberi tijdens de zeereis van Batavia naar Sumatra. In het militair hospitaal te Batavia overleden ieder jaar zo'n 3500 militairen, waarvan de helft aan beriberi.

Uiteraard gingen de gedachten uit naar een epidemische ziekte, die zich in kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen gemakkelijk zou kunnen verspreiden. Enkele jaren tevoren had Robert Koch de tuberkelbacil (1882) en de cholerabacil (1883) ontdekt. Het tijdperk van de bacteriologie was net begonnen. Inderdaad had beriberi een explosief karakter. Zo konden de soldaten in het ene schip of in de ene kazerne bij bosjes sterven, terwijl er op een andere plek niets aan de hand was.

De Nederlandse regering riep een commissie in het leven om de oorzaak van beriberi te onderzoeken. Aan deze commissie Pekelharing-Winkler werd de jonge arts-bacterioloog Christiaan Eijkman toegevoegd. Hij was vanaf 1888 als burgerarts verbonden aan het militair hospitaal op het 'Laboratorium voor onderzoekingen op het gebied der pathologische anatomie en bacteriologie' te Weltevreden, een laboratorium dat, anders dan de lange naam doet vermoeden, uit een ruimte van 5 bij 10 meter bestond. Ernaast was nog een klein kamertje en erbuiten was een erf met onder de oude kap van de bloedzuigerbak een kippenren voor zijn belangrijkste proefdieren. Bezoekers ontving Eijkman op een bank naast de ijskast op de galerij, omdat in het laboratorium geen plaats was.

Eijkman zocht, in overeenstemming met de bevindingen van Pekelharing en Winkler, naar de ziekteverwekker van beriberi: een bacterie of een parasiet. Het bewijs dat een bepaalde micrococus de veroorzaker was, behoefde alleen maar afgerond te worden.

Hartkrampen

Beriberi is een ziekte met verschillende symptomen. Behalve huidwijkingen zijn er ook hartkrampen. Meestal overlijdt een patient aan het laatste. Tevoren heeft een lijder vreemd gedrag te zien gegeven, dat op zenuwafwijkingen duidt, vandaar dat men beriberi als een polyneuritis beschouwde.

Het werk van Eijkman leverde niets op. Hij vond in het bloed van de beriberi-patienten geen micrococus die de ziekte veroorzaakte. Maar ijverig zocht hij verder in andere organen. Intussen was hem opgevallen dat sommige van zijn kippen een soortgelijk gedrag te zien gaven als de beriberi-lijders: ze liepen waggelend rond, vielen na enkele dagen om en vertoonden, voor ze dood gingen, verlammingsverschijnselen. Misschien waren zijn kippen ook wel besmet, dacht hij. Eijkman begon systematisch dierproeven te doen.

De dierproeven liepen uit op niets. Sommige geente kippen werden niet ziek, niet-geente kippen werden wel ziek. Enige helderheid kwam er pas toen na een half jaar de kippen plotseling allemaal gezond werden: de epidemie was over.

De grote verdienste van Eijkman is het geweest dat hij naging hoe dit kwam. Het bleek dat zijn kippen aanvankelijk met de overgebleven witte rijst van het militair hospitaal waren gevoerd. Maar toen daar een nieuwe kok kwam, kwam er een einde aan die gewoonte ('geen militaire rijst voor burgerkippen'). Ze kregen weer ongepelde rijst, die weinig kostte.

Waterig aftreksel

Eijkman is vrij ver gekomen met het onderzoek naar de factor die genezing bij de kippen bracht. Hij was al zover dat hij kon vaststellen dat een waterig aftreksel van bruine, ongepelde rijst ook werkte als medicijn. Maar toen hij acht jaar na zijn aankomst terugkeerde naar Nederland, was hij er nog van overtuigd dat de kippenziekte werd veroorzaakt door een bacterie, waartegen het zilvervliesje bescherming bood. Het idee dat het zilvervliesje een stof bevatte dat onmisbaar was voor de kip (en ook voor de mens zoals tezelfdertijd bleek), werd door zijn opvolger dr. G. Grijns ontwikkeld. Eijkman zelf heeft zich daar lang tegen verzet.

In 1926, dertig jaar later, konden dr. B. C. P. Jansen en dr. W. F. Donath in Batavia het geheim van het zilvervliesje eindelijk ontsluieren. Zij konden de stof, die toen al de naam vitamine B1 had gekregen (thans thiamine geheten), in kristallijne vorm zuiveren. Het bewijs was rond. In 1929 kreeg Eijkman samen met Sir Frederic Gowland Hopkins de Nobelprijs voor geneeskunde voor zijn baanbrekende werk op het gebied van de vitamineleer.

Sommigen hebben het onrechtvaardig gevonden dat juist Eijkman, die zich zo lang tegen het idee van vitaminen had verzet, de Nobelprijs kreeg, terwijl Grijns, degene die het concept ontwikkelde, in de vergetelheid verdween. Maar het is duidelijk dat zonder de opmerkzaamheid van Eijkman het zilvervliesje nooit zo grondig onderzocht zou zijn.

Want parallel aan het kippenonderzoek onderzocht de Nederlander A. G. Vorderman een zeer groot aantal gevangenissen op het voorkomen van beriberi en het verband met rijstvoeding. Zonneklaar toonde hij aan dat gepelde rijst de boosdoener was. Het gouvernement aanvaardde zijn conclusies echter niet men kon gevangenen en zeker militairen toch geen ongepelde rijst te eten geven! Dat was goedkoop volksvoedsel, dat bovendien vrij snel bedierf. Pas toen werd opemerkt dat beriberi ook voorkomen kon worden door het eten van een bepaald boontje, werden de adviezen van Vorderman opgevolgd.

Nog steeds is niet geheel duidelijk waaruit de beschermende werking van vitamine B1 bestaat. Wel is beriberi nu zo goed als verdwenen door de betere voeding. Maar het komt af en toe nog voor. Prof.dr. R. Luijken, hoogleraar tropische voedingsleer aan de Universiteit van Amsterdam en organisator van de Eijkman-herdenking, ziet vooral gevaren in gebieden in de Derde wereld waar door voedselhulp een eenzijdige voeding ontstaat. Ook komt beriberi wel eens voor bij patienten die kunstmatig worden gevoed. Men herkent de ziekte niet als een deficientie. Zo werd enkele jaren geleden een meisje in Frankrijk, die enige tijd kunstmatige voeding had gehad, geheel nodeloos aan haar hart geopereerd.

Groeifactor

De tijd van het grote vitamine-onderzoek ligt achter ons. Toch worden er nog wel regelmatig nieuwe deficienties ontdekt. Vrij nieuw is bijvoorbeeld pantotheenzuur, een groeifactor bij ratten. Niet duidelijk is nog of de mens het beslist nodig heeft. Hetzelfde geldt voor biothine en pyridoxine. Men is afgestapt van de gewoonte om de vitaminen een letter te geven en eventueel te nummeren (alle B-vitaminen zijn wateroplosbaar en komen uit gist). Ook is men verfijnder gaan onderzoeken. Luijken: ' Het moderne onderzoek richt zich op deficienties die zich mentaal uiten en die de gevoeligheid voor ziekten doen vergroten. Dus niet alleen deficienties waaraan je dood gaat.'

Opmerkelijk is de bevinding dat ratten die uitsluitend vegetarisch voedsel krijgen, niet gevoelig zijn voor de malaria-parasiet. Zodra melkprodukten worden aangeboden, slaat de parasiet wel aan. Er zijn aanwijzingen dat iets dergelijks ook voor de mens geldt. In West-Afrika blijken patienten, die in een goede voedingstoestand erkeren, duidelijk gevoeliger voor malaria. Luijken: ' En wij maar melk sturen naar de ontwikkelingslanden! Het is natuurlijk nog te vroeg voor adviezen, maar het zou me niets verbazen als er een verband ligt. Kennelijk is de malariaparasiet nog meer afhankelijk van bepaalde aminozuren dan zijn gastheer.'

Luijken, die niet nalaat erop te wijzen dat de voedingsleer in Nederlands Indie voor de oorlog een hogere vlucht nam dan in Nederland zelf (' Er was het Instituut voor Volksvoeding met meer dan veertig mensen in dienst die meer dan 400 publikaties het licht hebben doen zien terwijl in die tijd in Nederland voedingsleer als een hobby van een hoogleraar werd beschouwd'), heeft veel jaren van zijn leven in de tropen doorgebracht, nog steeds de plaats waar de belangrijkste voedselafwijkingen voorkomen.

Luijken: ' Soms vind je iets volkomen onverwachts en soms verwacht je zeker iets te vinden, maar is er niets. Zo heb ik maanden doorgebracht bij een Papoeastam in Centraal Nieuw-Guinea. Die mensen aten uitsluitend zoete aardappelen, vaak drie kilo per dag, gepoft in hete as. Je zou zeggen dat dat veel te eenzijdig is. Op zijn minst hadden ze een eiwittekort moeten hebben. Maar ze waren helemaal gezond, niets aan de hand. Misschien dat ze net als herkauwers een bacterie in hun darmen hadden die hun aan het eiwit hielp. Wie weet. Maar ik heb hun darmflora nooit kunnen onderzoeken.'

Eijkman Centennial. International Symposium on Vitamins, Nutrition, Infection and Immunity. 1 en 2 november, Rijksuniversiteit Utrecht. Inl.: 080-516484.