Het wonder van Malmok; Schitterend georganiseerd grafveld op Aruba opgegraven

In het archeologisch museum van Oranjestad op Aruba wordt sinds kort het geraamte geexposeerd van een mannelijke, ongeveer dertigjarige Indiaan, die ergens in het eerste milennium na Christus op de noordoostpunt van het eiland leefde. Hij behoorde tot het 'volk van Malmok', genoemd naar de plek, vlakbij zee, waar vorig jaar een omvangrijk grafveld aan het licht kwam; een volk van jagers, vissers en verzamelaars, zowel precolumbiaans (Columbus moest nog in Amerika verschijnen) als preceramisch, omdat het gebruik van aardewerk hun onbekend was. Veertig andere opgegraven skeletten (van mannen, vrouwen en kinderen) bevinden zich in het museummagazijn.

Samen vertegenwoordigen de stoffelijke resten 'het wonder van Malmok'. De term is van de archeoloog dr. A. H. Versteeg, verbonden aan de Rijksuniversiteit van Leiden en specialist in de Caraibische prehistorie, onder wiens leiding de opgraving werd uitgevoerd. ' Een wonder', zegt hij, ' omdat we hier een schitterend georganiseerd grafveld ontdekten. Iedereen had er zijn vaste, van tevoren bepaalde plaats, terwijl uit de steendekking op de graven de status van de doden valt af te lezen. Alles wijst op een hoge graad van organisatie en doelgericht handelen'.

Bovendien vond hij op Aruba sterke overeenkomsten met oude Indiaanse begraafplaatsen op Cuba en in Colombia. In alle gevallen trof men doden aan die op hun rechter- of linkerzij lagen, in een gekromde, embryonale houding met hoog opgetrokken knieen. Vaak rustte een hand tegen het hoofd. De schedels waren lang en smal en van achteren veelal voorzien van een rode kleurstof, die voor de begrafenis moet zijn aangebracht en tot op het bot wist door te dringen. Ook de steendekking vertoonde onderling veel gelijkenis.

Dat alles brengt Versteeg tot de volgende redenering: ' Cuba, Colombia en Aruba laten eenzelfde soort lijkbezorging zien en dat wijst op een overeenkomstige cultuur in verschillende gebieden, een cultuur die heel lang bestaan moet hebben, want de skeletten in Colombia dateren van 4000 voor Christus en die van Aruba zijn tussen de duizend en tweeduizend jaar oud. Een exacte datering ontbreekt helaas nog, maar vast staat wel dat nergens zo'n jong grafveld met dezelfde karakteristieken is gevonden als hier'.

Twee-eenheid

De opgraving op Aruba was een 'joint-venture' tussen het Instituut voor Prehistorie van de Leidse universiteit en het archeologisch museum in Oranjestad. Versteeg vormde daarbij een hechte twee-eenheid met de skeletdeskundige dr. J. Tacoma, gepensioneerd fysisch antropoloog en vroeger verbonden aan de universiteit van Utrecht. Hij stelde onder meer vast dat de vrouwen uit het 'volk van Malmok' gemiddeld 1.49 meter lang werden en iets meer dan 35 jaar oud; de mannen bereikten een gemiddelde lengte van 1.57 meter en overleden op iets jongere leeftijd. Versteeg: ' Zonder Tacoma had ik er niets van gemaakt; hij trouwens ook niet zonder mij'. In Leiden ten slotte hielp de statisticus en cultureel antropoloog dr. P. van de Velde achter de computer mee de rijkdom aan gegevens te interpreteren.

Hun bemoeienissen met het Arubaanse grafveld volgden op eerdere ontdekkingen, waarvan de vroegste uit de Tweede Wereldoorlog dateert. Versteeg: ' Toen we vorig jaar in Malmok aan het graven waren, kregen we opeens bezoek van een stokoude man, een zekere Simon Kelly. Hij vertelde hoe hier al in 1942 een skelet opdook, toen een bulldozer zand weghaalde voor de bouw van een militaire stelling tegen Duitse onderzeeers. De vondst werd, terecht, geassocieerd met de vroegere Indiaanse bevolking van het eiland, omdat het geraamte in een on-Europese houding lag, dat wil zeggen met opgetrokken knieen. Volgens Kelly spookte het sindsdien op de noordpunt van Aruba'.

In 1966 liet de Curacaose arts Chr. J. Engels op dezelfde plek twee skeletten opgraven. Hij meende zo heeft Versteeg begrepen met Indiaanse reuzen van doen te hebben, dit naar aanleiding van een Spaanse overlevering uit circa 1500. Zes jaar later, in 1972, bracht de archeoloog E. H. J. Boerstra met hulp van anderen zestien geraamten naar boven. Echter zonder aan die vondst het wetenschappelijke belang te hechten dat Versteeg, Tacoma en Van de Velde thans na de ontdekking van nog eens 41 graven aan Malmok toekennen.

Geometrische opzet

Vooral de relatie die zij vaststelden tussen de kwaliteit van de steendekking op het graf en de status van de dode, beschouwt dr. Versteeg als een bijzonder gegeven. De hoogste kwaliteit bedekking bestond uit een centrale, liggende steen, omringd door een reeks kleinere verticale stenen, waarvan de toppen, ook in prehistorische tijden, boven het maaiveld uitstaken. Dit type graf werd in zes gevallen gevonden en steeds betrof het mannen ouder dan 25 jaar, die volgens Versteeg bij hun leven een vooraanstaande rol in de Malmok-gemeenschap speelden, als groepsleider in moeilijke omstandigheden, een primus inter pares, eventueel als tovenaar of medicijnman. Zij lagen in het grafveld op regelmatige afstanden van elkaar, waardoor iedere dode over een cirkelvormig 'territorium' van ongeveer achttien meter diameter beschikte. Drie 'hogestatus-graven' vormden steeds gelijkbenige driehoeken, wat een geometrische opzet verraadt.

De archeoloog uit Leiden vond nog vier andere graftypen in een afdalende, met de status van de dode samenhangende reeks, waarvan de laatste soort in het geheel geen bedekking had. Hier trof men alleen vrouwen en kinderen aan. Veelal lagen de doden van minder sociaal belang binnen de cirkel die een hoog gekwalificeere dode omringde.

Het hele grafveld in zijn oorspronkelijke vorm getuigt volgens Versteeg niet alleen van voorouderverering, maar ook van een grote gebondenheid aan het bewuste gebied, de noordoosthoek van Aruba. De archeoloog spreekt van een 'formele begraafplaats': ' We hebben het sterke vermoeden dat de preceramische Indianen van Malmok hiermee hun territorium afbakenden onder druk van ceramische groepen op het vasteland, die zo'n duizend jaar geleden naar Aruba trokken. Vergeet niet dat het eiland maar dertig kilometer van Venezuela verwijderd is'.

Bij dit alles zijn nog veel raadsels op te lossen. Versteeg: ' Wat we bijvoorbeeld niet begrijpen, is dat we maar vijf skeletten van kinderen hebben gevonden, hoewel er een hoge kindersterfte geweest moet zijn. We hebben zelfs niemand van tussen de tien en zeventien jaar gevonden. Andere vragen: waarom heeft de een die rode kleurstof van fijngemalen mangaan meegekregen en de ander niet? Waarom lag ongeveer de helft van de doden in oost-westrichting, terwijl verder alle orientaties voorkwamen? Waarom lag de een met zijn hand tegen het hoofd en de ander niet? Het lijkt allemaal volstrekt willekeurig, wij althans hebben er geen enkele regelmaat in kunnen ontdekken. De scheiding liep dwars door de seksen en leeftijden heen. Ook de bestaande literatuur geeft geen uitsluitsel'.

En dat geldt evenzeer voor de vraag waarom twee doden, een man en een vrouw, behalve onder stenen ook onder het schild van een reuzeschildpad lagen. Versteeg: ' De vrouw had bovendien een baby bij zich, maar ze kan, gelet op haar leeftijd van 45 jaar, de moeder niet geweest zijn. Misschien de grootmoeder. Ook vonden we een relatief oude vrouw die op zo'n schild lag, een vrouw met een bochel'.

Little angel

Hij en de anderen hebben inmiddels schriftelijk verslag over het onderzoek uitgebracht onder de titel Archaeological investigations on Aruba: the Malmok cemetery. Wat Versteeg betreft is dit rapport het zoveelste in een reeks over Zuid- en Middenamerikaanse opgravingen, die zich eerder in Suriname en op St. Eustatius afspeelden. In beide gevallen vond hij resten van verdwenen Indianenstammen, die de landbouw, in het bijzonder de teelt van cassave, beoefenden en onderling een sterke verwantschap vertoonden.

Daarover had prof. I. Rouse van de Yale-university in de Verenigde Staten al een theorie ontvouwd, die door de vondsten van Versteeg werd gevestigd en versterkt. Ze komt erop neer dat groepen Indianen in verre precolumbiaanse tijden van de Midden-Orinoco in Venezuela naar de benedenloop van die rivier verhuisden. Vandaar verspreidden zij zich enerzijds in oostelijke richting over Guyana en Suriname en anderzijds naar het noorden over de Antillen, tot aan Portorico toe.

Van de Orinoco-Indianen die ooit op St. Eustatius neerstreken, zou er een posthuum nog een opmerkelijke reis maken. Het betrof een kleine, zestig jaar oude man van omstreeks 500 na Christus, wiens skelet in 1985 werd opgegraven uit de weerbarstige, met doornig struikgewas begroeide bodem van het eiland. Versteeg voelde zich, bij gebrek aan onderzoeksmogelijkheden ter plaatse, genoodzaakt het geraamte voor nadere expertise mee te nemen naar Nederland, maar moest hemel en aarde bewegen om dat gedaan te krijgen, want de Statianen beschouwden de tengere Indiaan, die ze liefderijk little angel noemden, als hun onvervreemdbaar eigendom.

Versteeg: ' Terecht natuurlijk, ze hadden volkomen gelijk, maar er was ook een wetenschappelijk belang in het spel en daarvoor moest ik met little angel het vliegtuig in. Pas toen ik de mensen bezwoer dat ik hem onbeschadigd terug zou brengen, werd het me schoorvoetend toegestaan. Ik heb hem toen in mijn handbagage meegenomen en via Curacao en Schiphol vrijwel probleemloos ter bestemder plaatse gebracht'.

Na de expertise verbleef little angel nog enkele maanden op een tentoonstelling in Tilburg. Een tweede luchtreis, begin 1986, voerde hem definitief terug naar St. Eustatius, waar de oudste eilandbewoner sindsdien te bezichtigen is in de prehistorische afdeling van het lokale museum. Hij rust er veilig onder glas, gehurkt en voorzien van een puntgaaf gebit.

Wat met little angel gebeurde, kon niet met de recentelijk opgegraven Indianen van Aruba, die niet alleen te talrijk, maar ook te broos waren voor transport. Maar ditmaal was het ook niet nodig, omdat Versteeg in de persoon van dr. Tacoma een expert bij zich had die de skeletten ter plekke kon determineren.