Eigen schuld

Op het sportveld liggen natte herfstbladeren. Uit de kleedkamers komen twee voetbalteams de koude buitenlucht in. Het ene team is in de race voor promotie, het andere vecht tegen degradatie. Beide trainers hebben hun mannen flink opgepept. Voor de winterstop moeten de posities veilig gesteld zijn. De spelers, lid van clubteams die uitkomen in de tweede klasse zaterdagvoetbal, hebben alles in volle ernst aangehoord. Ruim een uur later verlaat een ambulance het sportcomplex richting ziekenhuis.

In Nederland vallen bij veldvoetbal de meeste sportblessures. Dat komt omdat er zoveel gevoetbald wordt. Maar veldvoetbal is niet de gevaarlijkste sport. Dat is zaalvoetbal.

Van de 2,7 miljoen sportblessures die de Limburgse onderzoekers W. Ch. C. van Galen en J. P. M. Diederiks op grond van hun enquetes jaarlijks in ons land vermoeden, ontstaan er 768.000 (28%) op het voetbalveld. Zaalvoetbal heeft de hoogste blessure-incidentie: 8,7 blessures per 1000 sporturen. Veldvoetbal komt daar op de derde plaats (6,2), na veldhockey (6,5).

Een derde rangorde ontstaat als de ernst van de blessure meetelt en wordt gekeken naar de incidentie van medisch behandelde verwondingen. Ook dan staat zaalvoetbal aan de top, gevolgd door zaalhandbal en karate. Vierde staat de eerste buitensport, veldvoetbal, tweederde met een beenblessure.

Verstuikt

Jaarlijks verliezen bij sportbeoefening 630.000 enkels en 400.000 knieen voor korte of lange tijd hun normale functie. In 80% van de gevallen gaat het om een verstuiking, verrekking, kneuzing of bloeduitstorting. Slechts een paar procent breekt iets of scheurt een spier of pees.

Mannen blesseren zich eerder dan vrouwen. Ongeorganiseerde recreatiesport levert minder blessures dan georganiseerde recreatiesport: 1,3 tegen 1,8 blessures per 1000 uur. Wedstrijdsporters raken 4,7 keer per 1000 sporturen gewond.

Op de Eerste-Hulpafdeling van het ziekenhuis aangekomen wordt de verbaasde voetballer in de wachtrij geplaatst. Hij is nog lang niet aan de beurt. Voor hem zitten collega-sporters. Bijna de helft van alle sportblessures ontstaan in het weekend. De Eerste-Hulpafdelingen werken in het weekend vrijwel alleen voor sporters. In de grote-stadsziekenhuizen gaat de opvang van slachtoffers van de vrijdagmiddagspits, van het vrijdagse uitgaansleven en van de zaterdagse sportbeoefening vrijwel naadloos in elkaar over.

Ondanks al dat blessureleed is Homo movens gezonder dan Homo sedentarius. Sporten is gezonder dan stilzitten, zolang het maar niet ontaardt in topsport. De gaande mens leeft iets langer dan de zittende. Voor zitten heeft iedereen dus evenveel tijd sporters komen er alleen wat later aan toe.

Echte winst boeken sporters omdat ze langer zonder chronische ziekten door het leven gaan, en zich gezonder en gelukkiger voelen. Het verschil wordt vooral op oudere leeftijd duidelijk. F. van Puffelen, J. O. N. Reijnen en J. W. Velthuijsen van de Stichting Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam haalden uit de cijfers van het grote leefsituatieonderzoek (1983) van het Centraal Bureau voor de Statistiek dat al dat gesport jaarlijks 150 miljoen oplevert. Macro-economisch gezien is dat een bedrag van niks.

Als de jonge sporters, onder de 35 jaar, zich eens iets rustiger hielden, dan zou het resultaat aanmerkelijk verbeteren. Voor hen is sport juist niet zo gezond. Ze hebben een hoger ziekteverzuim en gaan vaker naar de medisch specialist dan hun niet-sportende leeftijdsgenoten. Bij ouderen, boven 55 jaar, ligt de situatie andersom.

Het vooroordeel over jonge sporters is dat zij hun overtollige energie kwijt moeten in drieste daden. In hun puberale overmoed proberen ze hun sportidool na te volgen in op de TV bewonderde onnavolgbare acties. Ze gaan er hard in en, door gebrek aan techniek en vaardigheid, verkopen ook hun tegenstander een 'doodschop'.

Maar de meeste blessures doet men zichzelf aan. Slechts een kwart komt door contact met de tegenstander. Botsingen met medespelers, spelmateriaal en de sportacomodatie (sporthalmuur, doelpaal, speelvloer) zijn ieder voor 5% de oorzaak. Een ander kwart van de blessures ontstaat zonder botsing: verdraaien, verstappen, in de grond trappen in plaats van tegen de bal.

Preventie

Het beste middel tegen blessures is preventie. Die begint met het kiezen van de juiste sport. Met zwemmen, fietsen en wandelen is er de minste kans op een kwetsuur.

De sporter zelf kan iets doen aan uitrusting en trainingsaanpak. Goede adviezen over warming up, rekoefeningen en cooling down zijn er te over, maar of ze betrouwbaar zijn is de vraag. Onderzoekers spreken elkaar nog al eens tegen.

W. van Mechelen, sociaal geneeskundige aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, turfde bijvoorbeeld de blessures bij twee groepen recreatiehardlopers. De ene groep had instructies gekregen voor warming up, rek- en strekoefeningen en cooling down. De andere groep kreeg geen instructies. Na zestien weken ontliepen de aantallen blessures per gelopen kilometer elkaar niet. Maar zijn collega P. Renstr(o/)m uit het Amerikaanse Burlington gelooft echter heilig in warming up: ' Warming up is de herverdeling van de bloedstroom door het lichaam. Zit je stil dan gaat 15% van het bloed naar de spieren. Na tien minuten inspanning is dat 70%.' Renstr(o/)m denkt dat ook het zenuwstelsel moet wennen aan een periode van lichamelijke activiteit. Het duurt even voor de zenuwcellen allemaal met elkaar in de pas lopen en een spier goed en gecoordineerd samentrekt.

Ook over het materiaal is het laatste woord nog lang niet gesproken. Goede schoenen worden vaak van belang genoemd, vooral ter voorkoming van spier- en peesletsel. Maar bij onderzoek onder wedstrijdkorfballers kon slechts 8% van het verschil tussen geblesseerden en niet-geblesseerden worden verklaard door het gebruik van schoenen met hoge schacht en schokabsorberende zolen.

De beruchte tennisarm, een langdurige blessure aan de elleboog waar de helft van de tennisspelers boven de 30 last van krijgt, is met brace (speciaal rekverband) of tape enigszins te voorkomen. Genezing is er niet mee mogelijk. De aandoening ontstaat meestal door ontsteking van scheurtjes in de botaanhechting, aan de buitenkant van de elleboog, van de pees die van de polsstrekkers komt. Een brace of tape ter hoogte van de spier-peesovergang helpt, maar warming up, rekoefeningen (inclusief onderarm), warmhouden, een juiste backhandtechniek, een darmsbespanning op een houten of kunststofracket (geen kunststofbespanning, geen aluminiumracket) horen ook bij de preventie. Tapen van de ontstoken spier is nergens goed voor. Spelers gaan vaak pas tapen als het kwaad al is geschied.

Hardlopers moeten, ter vermijding van blessures aan het bewegingsapparaat, eigenlijk niet aan de rand van een verharde openbare weg lopen maar er midden op. Vrijwel iedere weg helt aan de zijkant vier tot tien graden, om water af te voeren, maar langdurig scheef hollen geeft overbelastingsproblemen. Een mooi advies, maar hollen over de middenstreep houdt ook risico's in.

Maar genoeg over adviezen. Gezondheidsvoorlichters weten dat massamedia helemaal niet geschikt zijn om kennis over blessurepreventie te verspreiden. Kranten en TV zijn slechts in staat om mensen attent te maken op het probleem. De Postbus-51-spotjes over 'Blessures blijf ze de baas' worden door Ons Soort Kijkers bekritiseerd om hun informatieleegheid. Maar ze passen in een aan de RU Limburg bedacht gedragsveranderingsmodel waar u pas in volle hevigheid aan onderworpen wordt als uw sport aan de beurt is. Deze herfst stonden de hardlopers centraal in een voor de wereld unieke blessurepreventiecampagne die van 1989 tot en met 1991 in ons land bij tijd en wijle de kop opsteekt.