Drugs-verbindingsofficier Canada zette 'undercover'-actie opin Nederland; Infiltrant lokte pseudo-verkoop uit

ROTTERDAM, 30 okt. De Regionale Criminele Inlichtingen Dienst (RCID) te Breda introduceerde eind april 1989 een Nederlandse informant bij drugs-verbindingsofficier D. Doornbos van de Canadese ambassade in Den Haag. Na enkele contacten tussen Doornbos en de tipgever kreeg deze laatste de taak van 'civiele infiltrant' (code-aanduiding E3933).

E3933 verlokte een hem bekende Nederlandse vrouw uit de softdrugskringen in mei 1989 tot de aankoop van hasj in Canada. De civiele infiltrant ontving voor zijn activiteiten een bedrag van 40.000 Canadese dollars. Dat werd op 28 juni 1989 uitbetaald in het Van der Valkrestaurant te Breda, in de Nederlandse tegenwaarde van fl.74.058,30.

Het ging bij deze hasjhandel om een transactie van maximaal 2.8 miljoen Canadese dollars. De toen 20-jarige zoon van de vrouw reisde naar Vancouver en zocht contact met een Canadese vriend die in Amsterdam eigenaar was geweest van een coffeeshop. Via instructies van E3933 uit Nederland nam het duo contact op met twee hasj-verkopers. Later bleken dit de agenten Silzer en Haslett te zijn van de Royal Canadian Mounted Police (RCMP).

Langdurige onderhandelingen volgden waarbij ook Canadese relaties van de voormalige coffeeshop-eigenaar werden ingeschakeld. Uiteindelijk werd op 9 juni 1989 een bedrag van 731.000 Canadese dollars overgedragen aan de twee pseudo-verkopers. Bij die gelegenheid werden zeven betrokkenen gearresteerd. Onder hen was ook de Nederlandse vrouw die kort daarvoor naar Canada was gereisd om haar zoon bij te staan. In de laatste fase van de transactie had de voormalige coffeeshophouder zich teruggetrokken omdat hij de zaak niet vertrouwde. Overigens werd ook hij ingerekend.

De Nederlandse infiltrant en de undercover-agenten van de RCMP deden zich voor als 'verkopers' van hasj. Met deze operatie werd voor het eerst in Nederland de pseudo-verkoopmethode toegepast. Woordvoerders van het Openbaar Ministerie in verschillende arrondissementen, het ministerie van Justitie en de CRI verklaarden dat zij deze variant niet kenden. Alle zegslieden bestempelden de methode als uitlokking. Ook in Canada was de methode waarbij politie-infiltranten zich voordoen als pseudo-verkopers tot dat moment niet bekend.

In contacten met de advocaat in Nederland van de Nederlandse verdachten in deze zaak, mr. P. H. A. Clous, heeft civiele infiltrant E3933 zich overigens voorgedaan als slachtoffer van de undercover-praktijken van Doornbos. Hem was verzocht de transactie in Canada aan te gaan en hij had die zaak alleen maar doorgespeeld naar de moeder en zoon die later in Vancouver werden gearresteerd.

In de vorige week maandag in Vancouver hervatte rechtzaak tegen vijf Canadezen en de twee Nederlanders werd mr. Clous als getuige-deskundige opgeroepen. Zijn Canadese confreres, onder wie ook de advocaat in Canada van de twee Nederlanders, P. McMurray, bouwen hun verdediging op rondom het onwettige optreden van de RCMP in Nederland. Overigens zijn de Nederlandse verdachten inmiddels terug in eigen land. Nadat hun borgtocht in april van dit jaar was verlaagd van 100.000 tot 500 Canadese dollars per persoon, kochten zij zich bewegingsvrijheid binnen Vancouver. In mei van dit jaar ontkwam het duo naar Nederland. Naar hun zeggen met hulp van het Nederlandse consulaat in de west-Canadese stad.

Op 16 oktober van het vorig jaar stelde het Tweede-Kamerlid P. Stoffelen (PvdA) de toenmalige minister Korthals Altes (Justitie) en minister Van den Broek (Buitenlandse Zaken) vragen over deze zaak. Op 1 november liet Korthals Altes mede namens Buitenlandse Zaken weten dat de zaak zou worden uitgezocht door de rijksrecherche. Het rapport van de rijksrecherche werd de minister aangeboden op 26 januari 1990. De Canadese drugs-verbindingsofficier Doornbos bleek niet te zijn gehoord door de rijksrecherche. De Canadese ambassadeur had laten weten daartoe geen aanleiding te zien 'aangezien naar zijn oordeel geen onregelmatigheden door de DLO (drugs liaison-officer) zouden zijn verricht'.

Volgens advocaat Clous weigerde de RCID in Breda door de Canadese drugs-verbindingsofficier Doornbos opgestelde rapporten beschikbaar te stellen voor het onderzoek van de rijksrecherche. Clous kreeg in februari 1990 vertrouwelijk inzage in het rapport van de rijksrecherche. Uit de registratie van het verhoor van de civiele infiltrant kon de advocaat niet opmaken wat diens werkelijke rol was geweest. Dat is hem pas vorige week duidelijk geworden in Canada. 'Het deel dat handelt over het verhoor van de infiltrant is geschreven door de rijksrecherche om belangrijke informatie af te dekken', aldus Clous. 'Dat bevalt mij niet, dat was niet de opdracht van de rijksrecherche.'

Het formuleren van een antwoord aan de Tweede Kamer duurde daarna nog bijna vijf maanden. Volgens mevrouw A. Ford, hoofd van de afdeling internationale rechtshulp van het ministerie van Justitie, werd dat veroorzaakt door de noodzaak nadere regelgeving over het functioneren van de drugs-verbindingsofficieren van de ambassades in Nederland te formuleren. In zijn antwoord aan de Kamer liet de minister weten dat 'de betrokken RCID en de DLO voor hun doen en laten in deze zaak ter verantwoording moeten worden geroepen.'