Dilemma voor basisonderwijs in ontwikkelingslanden

In ontwikkelingslanden maakt nog niet tweederde van de kinderen de basisschool af. Of ze de school afmaken of niet maakt trouwens weinig uit: hun beheersing van lezen, schrijven en rekenen is hoe dan ook belabberd. Ze hebben nauwelijks een voorsprong op het grote aantal kinderen dat niet naar de basisschool gaat. Dat zijn vooral meisjes, plattelandskinderen en kinderen uit de allerarmste gezinnen. Als China en India worden meegerekend gaat in ontwikkelingslanden zo'n 75 procent van de kinderen tussen zes en elf naar school, zonder China en India is dat 20 procent minder.

Rapport

Dit staat in het net door de Wereldbank uitgebrachte rapport 'Primary Education', een verslag van de moeilijkheden in het basisonderwijs in ontwikkelingslanden, de oorzaken van die moeilijkheden en mogelijke oplossingen. Volgens de Wereldbank moet het basisonderwijs in deze landen worden verbeterd voordat het tweede grote probleem de geringe deelname aan dat onderwijs wordt aangepakt: ' School attendance without learning is meaningless'.

De Wereldbank onderscheidt een groot aantal terreinen waarop het misgaat en die verbetering behoeven. In veel ontwikkelingslanden is de tijd die wordt besteed aan lezen en schrijven verdeeld over een officiele en een lokale taal, wat de vaardigheden van de kinderen niet ten goede komt. Boeken zijn vaak afwezig, of moeten door meerdere kinderen worden gedeeld. Op de Filippijnen is de verhouding 1 op 10, in de Dominicaanse Republiek heeft maar eenvijfde van de zesdeklassers een rekenboek. Overigens zijn de boeken meestal van slechte kwaliteit.

Terwijl de tijd die wordt besteed aan basisonderwijs wereldwijd ongeveer gelijk is (gemiddeld 880 uur over 180 dagen), komt daar in ontwikkelingslanden in de praktijk niet veel van terecht. Veel leraren zijn afwezig op marktdagen, hebben wegens het lage salaris allerlei bijbaantjes, wonen ver van school of moeten elke maand een lange reis maken om hun salaris in ontvangst te kunnen nemen. De vaak ondervoede kinderen zijn nauwelijks op leren ingesteld.

En alsof dat allemaal niet genoeg is, ontbreekt het de leraren aan de nodige kennis van zaken. De meesten van hen dicteren uren achtereen en laten kinderen vooral veel uit het hoofd leren. Vaak hebben ze zelf nauwelijks scholing gehad. In Nigeria bijvoorbeeld was in 1981 vijf jaar basisonderwijs voldoende om tot de pedagogische academie toegelaten te worden. Op deze pedagogische academies krijgen de studenten dan ook weinig pedagogiek: ze hebben alle tijd nodig om de middelbare school in te halen. Wanneer ze eenmaal onderwijzer zijn, is hun motivatie laag: de salarissen gaan alsmaar achteruit, de schoolgebouwen zijn in slechte staat, materiaal ontbreekt en van begeleiding is hoegenaamd geen sprake.

Veel van deze problemen kunnen alleen maar worden opgelost met geld, maar de Wereldbank komt ook met een aantal voorstellen die weinig of niets kosten. Zo zou op alle niveaus van het ministerie tot de directeur het management kunnen worden verbeterd. Op ministeries zitten nu vaak onbekwame ambtenaren zich druk te maken over verouderde, onbruikbare regelgeving. Op school heeft de directeur weinig of geen invloed op de samenstelling van zijn team: wie op welke school terechtkomt, wordt centraal bepaald. Dat zou anders moeten.

Verder zou het regelmatig toetsen van de kinderen ook hele verbetering zijn. Zo is Thailand in 1984 begonnen met een nationale test voor vierdeklassers. Uit de uitkomsten bleek dat sommige regio's het veel beter deden dan andere. Deze regio's legden de andere uit hoe ze werkten, en het resultaat is dat de scores op de toetsen in drie jaar tijd enorm vooruitgingen. Tenslotte zouden in plaats van nieuwe scholen te bouwen bijvoorbeeld kerken kunnen worden gebruikt, zou de studie op de pedagogische academie aanzienlijk korter (en dus goedkoper) kunnen als de studenten een goede vooropleiding kregen en zouden landen met klassen kleiner dan 40 leerlingen (China) dit getal op kunnen schroeven tot 45 a 50: bij zulke aantallen maakt een beetje groter of kleiner niet veel meer uit.

Maar er is natuurlijk wel geld nodig. Dat geld zal zichzelf terugverdienen als leerlingen minder vaak blijven zitten. Nu zijn de scholen in ontwikkelingslanden voor een deel bezet door leerlingen die allang klaar hadden moeten zijn. Ook zou beter onderwijs ervoor zorgen dat de kinderen meer leren dan nu, waardoor de economie op den duur zou profiteren van een goed opgeleide bevolking.

31 dollar

Veel ontwikkelingslanden hebben de laatste 20 jaar de investeringen in het basisonderwijs echter teruggeschroefd. Verhoudingsgewijs investeren ze zelfs minder in onderwijs dan ontwikkelde landen: 3 procent versus bijna 6 procent van het bruto nationaal produkt. Ontwikkelingslanden besteden aan een basisschoolleerling 31 dollar, rijke landen ruim 1500. Als de ontwikkelingslanden hun uitgaven aan materiaal zouden opschroeven van 1 naar 6 dollar, het niveau van de rijke landen, zou dit hun 1 miljard dollar per jaar kosten.

De Wereldbank stelt voor dat ontwikkelingslanden nieuwe belastingen gaan heffen en ook op lokaal niveau voor financiering zorgen, bijvoorbeeld door vrijwillige bijdragen of fondswerving. De rijke landen zouden hun ontwikkelingsgeld meer dan nu moeten besteden aan het basisonderwijs. Van al het ontwikkelingsgeld voor onderwijs gaat momenteel 95 procent naar het voortgezet en hoger onderwijs, dat volgens de Wereldbank lang niet zo'n hoge prioriteit heeft als het basisonderwijs. Het meeste geld voor basisonderwijs gaat bovendien op aan de bouw en uitrusting van nieuwe scholen, ook al geen hoogstnoodzakelijke investering.

Dilemma

De Wereldbank eindigt met te wijzen op een groot dilemma. Als het basisonderwijs in ontwikkelingslanden verbetert, zal de geringe deelname van meisjes, plattelandskinderen en kinderen uit de allerarmste gezinnen kunnen worden aangepakt. Daarvoor zijn onder meer aparte scholen voor meisjes nodig, meer leraressen, minder aan het onderwijs verbonden kosten (voor bijvoorbeeld een schooluniform, transport of materiaal), flexibele tijden om plattelandskinderen in staat te stellen hun ouders op het land te helpen en kinderopvang om het oppassen door oudere zussen te beperken. Maar wanneer dankzij dit soort maatregelen de belangstelling voor basisonderwijs toeneemt, zal het nog moeilijker worden dan nu om goede leraren te vinden. Mochten in het jaar 2000 alle kinderen in ontwikkelingslanden naar de basisschool gaan, dan zouden er 8 miljoen leraren extra nodig zijn.