De zichtbare hand

DE GOLFCRISIS heeft evenals de oliecrises van 1973 en 1980 tot bezinning op de energievoorziening geleid. Het schrikbeeld van een olieprijs die oploopt tot tachtig dollar per vat of meer wanneer Saddam Hussein een oorlog in het Midden-Oosten veroorzaakt, deed president Bush begin augustus al verzuchten dat zijn land nooit meer zo afhankelijk mag worden van import uit de Golfstaten als nu het geval is.

Premier Lubbers komt de eer toe dat hij al geruime tijd voor de Iraakse overval op Koeweit een inventief plan lanceerde voor een lange-termijnoplossing die niet alleen de energievoorziening van Nederland maar die van heel Europa veilig kan stellen. Lubbers heeft vorige week in een lezing in Brussel zijn plan voor nauwe samenwerking met de Sovjet-Unie aangepast aan de politieke realiteiten in het land van Gorbatsjov. Onduidelijk is voorlopig welke politieke en economische structuur de perestrojka zal brengen, zei de premier, en daarom is het beter nu niet een 'masterplan' te introduceren maar uit te gaan van bestaande kaders als de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) waaraan behalve Europese landen ook de Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en Canada deelnemen. Binnen dat kader kunnen Westerse oliemaatschappijen worden gestimuleerd om op termijn de Russische olie- en gasvelden te helpen exploreren. Op korte termijn zou het Westen hard moeten werken aan energiebesparing, volgens Lubbers de grootste bron van energie, en in samenhang daarmee aan verbetering van het milieubeleid.

VOOR HET welslagen van Westerse hulp bij modernisering en uitbreiding van de Russische olie- en gasindustrie hebben particuliere maatschappijen de helpende hand van de overheid nodig, bijvoorbeeld door herverzekering van politieke risico's. De bestaande instrumenten zijn, gezien de bedragen die oliemaatschappijen moeten investeren, wellicht niet toereikend. Een gecoordineerd energiebeleid van de Europese Gemeenschap kan hier een oplossing bieden. Dat zou goed passen in de 'zichtbare hand' van de overheid die Lubbers als aanvulling op de onzichtbare hand van de markt onontbeerlijk acht. Een wijze van zien die gezien de grilligheid van de energiemarkt en de kwetsbaarheid van de samenleving op dit punt aandacht verdient.

In de herbezinning op het energiebeleid past ook een doorbreking van oude tegenstellingen tussen olieproducerende en -consumerende landen. De organisatie van olie exporterende landen (OPEC) heeft haar imago van het kortzichtige kartel dat alleen uit was op een zo hoog mogelijke prijs afgeschud. De roep om samenwerking, teneinde een verzekerde aanvoer van olie, een geregelde afzet en stabiele prijzen te bewerkstelligen, wordt steeds algemener. Ook Lubbers heeft in Brussel voor overleg gepleit.

NOCH OPEC, noch de lidstaten van het Internationaal Energie Agentschap (het Westen en Japan) zijn gebaat bij sterk fluctuerende prijzen. Het voordeel voor de olielanden van de hoge prijs van vandaag kan morgen omslaan in een veel groter nadeel wanneer de markt ineenstort en de noodzakelijke investeringen in de olie-industrie moeten worden opgeschort. In de herinnering komt de prijsval van 1986 die voor alle partijen nadelig uitpakte. Voor de marktpartijen zou het even wennen zijn als de 'zichtbare hand' van Lubbers een systeem van orientatieprijzen introduceert een bandbreedte waarbinnen de prijzen zich bewegen om zo'n heilloze situatie te voorkomen. Maar dat is geen reden om dit voorstel bij voorbaat af te wijzen.

Hoezeer een producerend land bij samenwerking kan zijn gebaat, blijkt wel uit de huidige situatie in de Sovjet-Unie, waar de deviezeninkomsten drastisch zijn gedaald door een volstrekt verouderde olie- en gasindustrie. Westerse hulp, zoals het plan-Lubbers en ook de Amerikaanse regering beogen, kan een eerste stap in de wederopbouw betekenen. De Sovjet-Unie beschikt over grote reserves aan olie en gas die het evenwicht op de energiemarkt op den duur mede in stand kunnen houden.

IN SCHRIL contrast tot het visionaire plan-Lubbers staat de kortzichtige houding die Nederland gisteren in EG-verband innam. Zonder kritiek ging minister Andriessen weliswaar akkoord met een richtlijn die het transitoverkeer van elektriciteit moet regelen, maar tegen hetzelfde principe voor aardgas opponeerde hij met argumenten die louter aan het nationale belang op korte termijn waren ontleend.

De nieuwe Gemeenschappelijke richtlijn verplicht lidstaten hun leidingennet beschikbaar te stellen voor doorvoer van gas uit andere landen. Daardoor krijgt de concurrentie net als in Amerika en Groot-Brittannie een ruimere kans. In de toekomst, wanneer de Sovjet-Unie meer gas zou exporteren, kan West-Europa van de regeling profiteren. Dat geldt ook voor toekomstige generaties Nederlanders wanneer de nationale gasbel opraakt. Waar de markt zinrijk kan functioneren, mag zij niet uit kortstondig eigenbelang worden uitgeschakeld.