De Wilsterflapper tentoongesteld

Omstreeks deze tijd van het jaar strijken ze met honderdduizenden neer op de kleigronden van Noord-Nederland. Uitgeputte vogeltjes, goudplevieren, die op de wadden en weilanden enorme hoeveelheden vette wormen, slakken en insecten consumeren om kracht op te doen voor hun trektocht naar het Zuiden.

De kwieke, bruin gespikkelde trekvogels komen veel voor. Ze vormen een onderdeel van het landschap, maar zijn toch relatief onbekend.

Een rustig moment was deze goudplevier vroeger nauwelijks gegund. Zoals vaak bij dieren lag het lot van het beestje in handen van de mens. In het verleden is de vogel, in het Fries wilster geheten, in de Friese, Groningse en Noordhollandse kustlanden veelvuldig bejaagd. Gevaar lag op de loer in de persoon van de 'Wilsterflapper' die, achter zijn camouflagescherm, geduldig wachtte totdat hij zijn net over de vogels kon 'flappen'.

De boeren op de arme Groningse wierden hadden vroeger een bijverdienste aan het vangen van deze vogels. Bronnen over de jacht op goudplevieren gaan terug tot 1600. De vogels stonden bekend als culinaire lekkernij en waren dus een gewild jachtobject. Door hun sociale gedrag ze vliegen in dichte zwermen waren ze bovendien makkelijk te vangen.

De traditionele wilsterflapper heeft een uitgebreide uitrusting nodig om de goudplevier naar het verraderlijke 'slagnet' te lokken. Hij heeft een groot aantal 'stelten', de opgezette soortgenoten, op stokjes in de grond geplaatst en blaast verleidelijk op een lokfluitje van vlierhout. Maar het geloofwaardigste lokmiddel is de levende soortgenoot die met de pootjes is vastgebonden onder een speciaal zitje, de 'wip' geheten. Als de vogels overvliegen trekt de wilsterflapper de wip op en neer. Het beestje begint te fladderen, een neerdalende beweging nabootsend. De andere dieren komen hier op af. Zodra zij de grond bereiken, trekt de wilsterflapper met een flinke ruk het net over de vogels heen.

Het voordeel van de jacht met zo'n slagnet was dat een goede vangst wel 25 vogels tegelijk opleverde en het daarmee een lucratieve bezigheid werd. Ook konden maar weinigen zich een duur jachtgeweer veroorloven. In december 1901 vingen enkele vogelhandelaren uit Noord-Holland in twee dagen 32.000 goudplevieren, meldt de Grzimek-dierenencyclopedie.

Boer Doeke Wijgers Hellema uit het Friese Barlahus schreef hierover op 19 januari 1846 in zijn dagboek, dat nu wordt tentoongesteld in het Fries Museum in Leeuwarden: 'Het gebeurt ook wel dat zij gedurende een week niets vangen en dan is al hunne moeite en kosten voor onderhoud voor niets geweest'.

Hellema's vijftienjarige zoon Sytze trok regelmatig de graslanden in op jacht naar wilsters. 'Mijn kleinste is thans met het wilsternet naar de trekwegslanden gevaren om het aldaar op een geschikt land uit te spannen. Het een en ander is voor hem te zwaar om te dragen, daarom vaart hij doorgaans met het scheepje derwaarts.' Hoewel de vogels bij de poelier aardig wat opbrachten, was 'wilsteren' eerder een hobby dan een kostwinning.

'De prijs der vogels is thans 't stuk twaalf centen. Wanneer nu een vogelaar daags 10 stuks vangt, dan heeft hij een tamelijke daghuur. (...) Wij verliezen er niets door om zoo te zeggen, omdat mijne jongens het uit vermaak doen. Behalven de kosten van een akte tusschen de 5 a 6 gulden bedragende, benevens de kosten van het onderhoud is alle schade welke zij lijden, indien zij niets vangen.' Hij voegt er nog aan toe dat degene die er van moet leven 'een sobere kostwinning' heeft.

Op de goudplevier mag nog gejaagd worden, maar dan uitsluitend met een geweer waarmee doorgaans maar een prooi tegelijk wordt getroffen. Het doden van vogels die met het slagnet worden gevangen, is verboden. Het vogelbestand, sinds de jaren zestig in Nederland stabiel op 400.000, zou daardoor te grote klappen oplopen. De mooie vogeltjes mogen nog wel worden gevangen en geringd, maar daarna moeten ze weer worden losgelaten.

De huidige wilsterflappers vinden het niet erg. Vroeg opstaan, een dikke trui aan en de akkers in. En maar wachten, spieden. 'De mens blijft tenslotte jager', zeggen de wilsterflappers.