Botte pop Waterboys loopt door de vingers

De Schotse popmuzikant Mike Scott en zijn los-vaste groep The Waterboys veranderen bijna even vaak van stijl als van onderkleding. Was het vorig jaar nog Ierse folkmuziek in een uitgebreide bezetting, nu draait het om elementaire rock en roll in een minimale viermans-formatie.

Bij deze laatste muzikale gedaanteverwisseling heeft Scott zich kennelijk gespiegeld aan zijn idool Bob Dylan, die halverwege de jaren zestig de akoestisch gitaar aan de wilgen hing, om met een elektrische rockband op een folkfestival te verschijnen. Dylan bracht indertijd een schok teweeg bij het poppubliek, iets waar Mike Scott alleen nog van kan dromen. Weliswaar is hij het middelpunt van een opmerkelijk soort persoonsverheerlijking, door een trouwe schare bewonderaars bij wie hij niets fout kan doen, maar van zijn terugkeer naar de elektrische gitaar hoeft niemand wakker te liggen. Verwarrend is het wel, nadat onlangs nog een tweede plaat verscheen met merendeels spontane, ongepolijste folksongs.

Net als de voorganger Fisherman's Blues reflecteert het nieuwe Room to Roam een voorliefde voor Ierse traditionele muziek van het soort dat meestal in verband wordt gebracht met geitewollen sokken en mannen met baarden. Kennelijk was het tijd voor schoon ondergoed, want de individualist Scott voert zijn huurmuzikanten in een volstrekt andere richting. Een belangrijke plaats is ingeruimd voor multi-instrumentalist Anthony Thistletwaite, die er telkens weer in slaagt om zijn sax te laten klinken als een kermistoeter. Met een gierende elektrische mandoline en een jengelend orgel worden de eens zo subtiele liedjes omgevormd tot botte bluesrockers in vierkwartsmaat.

Een dosis pathos was Mike Scott nooit vreemd, maar met alle knoppen open komt zelfs zijn indringende stem niet uit boven het ongenuanceerd lawaai. Wanneer hij achter de piano plaats neemt voor een zeldzaam moment van rust met het ingetogen liedje Something is gone, heeft hij plotseling opvallend veel weg van de om zijn crisiskleding bekende Gilbert O'Sullivan. Er mocht gedanst worden, zo was aan het begin van het concert verteld. Pas bij het allerlaatste nummer, een luchtig walsje in de Ierse showband-traditie, was er gelegenheid om de danslessen in praktijk te brengen. De overige muziek leende zich hoogstens tot hossen en stampen, liefst met watjes in de oren.