'Als laatste besluit hij zich als bankje voor te doen en zetextra mooie bloemen op tafel'

Op het MBO-College Oost-Groningen noemen ze een spreekbeurt eenpresentatie.

Miranda Miedema (17, Agogisch Werk 2a) gaat een kinderboek bespreken en haar keus is gevallen op de Reuzenkrokodil van Roald Dahl. De presentatie is een drietrapsraket, eerst moet ze de korte inhoud vertellen, dan de technische gegevens van het boek bespreken en tenslotte een stukje voorlezen. Miranda zucht diep, slaat haar handen in elkaar en begint in een razend tempo te vertellen:

'De reuzenkrokodil leeft in Afrika in een plas samen met een kleine krokodil, die Niet-Zo-Grote-Krokodil wordt genoemd. Op een dag zegt de Reuzenkrokodil: ik heb zin om jongens en meisjes te gaan eten. Hij gaat op weg en komt verschillende andere dieren tegen: eerst Humpierumpie het nijlpaard, dan Huppeldepup de aap, Rompslomp de vogel en Slurfie de olifant. Het hele bos weet al van de gemene plannetjes van de Reuzenkrokodil en vindt ze niet leuk.'

Ik geloof dat Miranda het eens is met de dieren in het bos. Ze kijkt ernstig bij zoveel slechtigheid.

De klas is zo te zien voor de Reuzenkrokodil. Ze lachen om zijn streken. In zangerig Gronings voert Miranda haar toehoorders langs de dieren in het bos, langs het schoolplein waar de Reuzenkrokodil doet of hij een wip is, in de hoop op die manier een kind te verschalken, langs de kermis waar hij een draaimolenbeest nadoet. De illustraties bij het verhaal zijn kostelijk. Miranda laat ze geduldig zien en glimlacht om de enthousiaste reactie.

'Ook nu komt de redding net op tijd, als laatste besluit hij zich als bankje in het park voor te doen en zet extra mooie bloemen op tafel zodat de kinderen bij zijn tafeltje zullen gaan zitten, maar nu komt Slurfie eraan, pakt hem bij zijn staart en draait hem net zo lang in de rondte tot je hem bijna niet meer ziet, kijk maar, je ziet nog alleen een beetje groen. Dan laat hij hem los en vliegt hij de lucht in, voorbij de maan, voorbij de planeten tot aan de zon waar hij verbrandt als een worstje.'

'Aaaaah' klinkt het als uit een mond. We vinden het een tragisch einde. Miranda kijkt verrast op.

Deel twee van de presentatie is de opzet en de criteria:

'Dit boek is bedoeld voor vijfjarigen, vind ik, want het doet een beroep op de fantasie. Je hebt wel wat fantasie nodig om dit te geloven en een kind van vijf heeft dat nog wel. Daarbij komt, dat in boeken voor kinderen van die leeftijd vaak dieren als hoofdpersoon voorkomen, die menselijke eigenschappen hebben. Kinderen van vijf hebben nog veel belangstelling voor het goede en het kwade, daar wordt in dit boek uitgebreid aandacht aan besteed'.

Miranda bespreekt het taalgebruik, de moeilijkheidsgraad van de illustraties en de de Normen en Waarden die in het verhaal besloten liggen. Ze vindt dat er voldoende verschillend-gekleurde kindertjes op de afbeeldingen staan en dat de alwetendheid van volwassenen aardig gerelativeerd wordt; immers de baas van de draaimolen zet het ook op een lopen als hij ontdekt dat er een krokodil in zijn winkel zit. Maar ze heeft ook kritiek. Er is een sexe-vooroordeel: als er in bomen geklommen moet worden, doet een jongen dat.

'Kunnen de kinderen zich identificeren?' vraagt Miranda aan zichzelf en geeft het antwoord: 'Niet met alle dieren, want de Reuzenkrokodil is erg slecht, zodat een kind zich daarmee niet vereenzelvigen zal.'

Naast me klinkt een verbaasd geluid, maar de vragen mogen pas na de presentatie. Eerst komt het voorlezen.

Opnieuw laat de klas zich meeslepen door de sluwe Reuzenkrokodil die opgewekt allitererend op het boevenpad gaat: 'Ik heb sluwe plannetjes en slimme streken.'

'Nu wil ik nog zeggen wat ik van dit boekje vind, ' besluit Miranda, 'Het is heel spannend, wel leuk en het zou nuttig kunnen zijn voor iemand die zelf wel eens een ander heeft geholpen.'

Bij de vragen, komt de kritiek: 'Ik kan me best identificeren met de reuzenkrokodil, ' verklaart een meisje, 'Kinderen vinden het juist leuk als iemand heel erg stout is. Die krokodil kan niet slecht genoeg zijn, hoe slechter hoe beter!'

Ik kijk naar Miranda. Die zit warempel te blozen.

Wie moet een ongenadig eind reizen om op school te komen? Schrijf naar Yvonne Kroonenberg, NRC-Handelsblad, Paleisstraat 1, 1012 RB Amsterdam.