Werkdrift van dijkenbouwers heeft vernietiging vanrivierenlandschap tot gevolg; DE EEUWIGE STRIJD TEGEN WATER

Ik heb eens geprobeerd een gesprek te voeren met een waterbouwkundig ingenieur. Dat is niet gelukt. Zijn vrouw, een psychologe, beantwoordde mijn vragen voordat hij zijn mond kon opendoen.

Meer dijkenbouwers zouden hun vrouw tot woordvoerster moeten verheffen. Dan is iedereen duidelijk dat zij gesprekken over de negatieve kanten van hun activiteiten niet ernstig nemen.

Stel je voor, een generaal die met collega's over veldslagen praat, maar zijn vrouw het woord laat doen zodra het gaat over doden en verwoestingen. Bij Clausewitz is deze tactiek nooit opgekomen. Die dacht dan ook in strategieen. Dat doen dijkenbouwers niet.

Ze vergelijken zichzelf graag met legeraanvoerders die een succesvolle strijd willen voeren. Maar daar klopt niets van. Hun vijand, het water, is pas verslagen bij drooglegging van de oceanen.

Hun einddoel is dus oneindig ver weg in nevelen gehuld. De Delftse ingenieurs willen echter niet als mystici, maar als rationele denkers te boek staan. Daarom presenteren ze altijd weer nieuwe vijandelijke stellingen. Die moeten veroverd worden voordat ze ooit toekomen aan hun droom, het laatste waterplasje van de schepping.

Zodra het vrede is gaan generaals op zoek naar nieuwe argumenten voor het op peil houden van hun legers. Raketten die gisteren dienden ter bedwinging van de ene vijand, blijken vandaag op een nooit eerder vermoed gevaar gericht te moeten worden.

Ingenieurs van Waterstaat gaan een stap verder. Ze kunnen na de voltooiing van een dijk ten strijde trekken tegen een nieuwe bedreiging die ze zelf hebben opgeroepen. Ze hebben bovendien het technologisch vernuft om een zeewering te maken die zowel op de ene plaats water tegenhoudt als elders het gevaar voor overstromingen bevordert.

Ik wil niet verdrinken. Ik wil zelfs droge voeten houden. Maar ik verstrek geen blanco cheque aan Waterstaats ingenieurs om alles te doen wat volgens hen nodig is om te voorkomen dat ik zwemmen moet leren.

Dijkenbouwers lijken dikwijls militairen die mij tegen een agressieve rat willen beschermen door een kruisraket af te vuren. Ze vernietigen de rat, en de rest ook. Ze zien over het hoofd dat in een landschap waar zelfs geen rat meer loopt voor mij ook geen plaats is. En ze doen alsof ze niet begrijpen dat ik niet dankbaar ben voor de effectieve wijze waarop ze mij tegen de rat hebben verdedigd.

Een optreden van vertegenwoordigers van Rijkswaterstaat, Provinciale Waterstaat, Polderdistrict of hoe het onderdeel van het waterbestrijdingsleger ook heet, komt altijd op hetzelfde neer. 'Wij begrijpen uw bezwaren, maar als u ons onze gang niet laat gaan verzuipt u onherroepelijk.' Je zou er bang van worden. Een verwoest rivierenlandschap of de laatste Betuwnaar zal gevlucht voor het water eindigen in de kruin van de laatste kersenboom.

Zo is het altijd geweest. Waterstaat praat niet over nuances. De ingenieurs praten uitsluitend over hun plannen. Wat die verwoesten is in hun ogen noodzakelijk. Aan het grote doel, de onderwerping van de wateren, is alles ondergeschikt. Ze hanteren zo consequent het uitgangspunt dat het doel alle middelen heiligt, dat ze daarbij de paus en Stalin naar de kroon steken.

In de jaren zestig kwam een journalist erachter dat het Hydrobiologisch instituut in Yerseke had ontdekt dat na afsluiting van de Oosterschelde in diepe putten in die zeearm tengevolge van stilstaand water verrottingsprocessen zouden optreden. Rijkswaterstaat reageerde woedend, zowel tegenover degene die dit treurige nieuws had verteld als de journalist die het had verspreid. De geplande bouw van de Oosterscheldedam diende niet de worden opgehouden met negatieve verhalen.

Maar het kwaad was geschied, het vooruitzicht van een stinkende Oosterschelde deed velen het door Waterstaat gesignaleerde gevaar van overvloedig zuurstofrijk water vergeten. De technici bedachten een oplossing: regelmatig zuurstof blazen in die diepe putten. Het is er nooit van gekomen. De ingenieurs moesten meer oplossingen verzinnen om aan talloze bezwaren tegen de afsluiting van de Oosterschelde tegemoet te komen. Zodat tenslotte de geplande afsluiting niet doorging, maar een veel kostbaarder complex van oplossingen werd uitgevoerd. De vraag of het niet anders had gekund, was van tafel.

Zo bestaat de Oosterschelde nog dankzij het feit dat de ingenieurs een ingenieuzer, kostbaarder werk konden bedenken dan dat waartegen bezwaren waren gerezen. En zo presenteert Rijkswaterstaat nu de verslechtering van de kwaliteit van het Veerse Meer als iets dat op zichzelf staat, dat niets te maken heeft met het feit dat waterbouwkundig ingenieurs dat meer maakten.

Want over negatieve gevolgen van de totale Deltawerken zwijgt men nog steeds. Voorstanders van de neutronenbom hebben ook altijd meer gewezen op het feit dat na gebruik van dat wapen gebouwen blijven staan dan dat ze vol met doden liggen.

Ik probeerde eens met twee ingenieurs van Rijkswaterstaat te praten. In Dordrecht. De stad aan de rivier die Marcel Proust beschreef als een schilderij van Vermeer. Dordrecht 'dat zijn met klimop bedekte kerk weerspiegelt in het vlechtwerk van slapende grachten en in de stromende en vergulde Maas waar voortglijdende schepen 's avonds de rijen weerspiegelingen van de rode daken en de blauwe hemel verstoren... '. Voor die ingenieurs was het water de vijand. Dus riep een van hen uit: 'Met die vervelende rivier weet je nooit waar je aan toe bent.'

Die ingenieurs vertelden dat tengevolge van de Deltawerken het water van de grote rivieren trager naar zee stroomt. Dat heeft weer tot gevolg dat het water stoffen die vroeger in zee belandden, nu als bezinksel op de rivierbodem achterlaten. Zo wordt de rivierbodem hoger, wordt de waterstand hoger, en moeten de dijken worden aangepast. En zo ontstaan de plannen om het rivierenlandschap met kronkels en uiterwaarden, met wilgen en rieten daken, te vernietigen en te vervangen door een mathematisch gedrocht.

Dat ingenieurs geen landschappen kunnen bedenken is hun niet kwalijk te nemen. Ze moeten lijnen trekken en Flevopolders maken. Maar dat ze landschappen willen verwoesten is barbaars.

De twee ingenieurs in Dordrecht hadden een probleem. Ze waren voortdurend bang verkeerd te worden begrepen. Ze wilden vooral niet de indruk wekken dat ze kritiek hadden op collega's die het Deltaplan hadden ontworpen. Die collega's hadden niet beter geweten. Ze hadden hun plannen als onfeilbaar gepresenteerd, maar helaas, achteraf...

De twee ingenieurs wilden vooral vertellen dat na het ene probleem het andere volgt. Maar om schuldigen aan te wijzen, daarvoor voelden ze niet. En evenmin voelden ze ervoor om minder zelfverzekerd hun plannen als laatste redmiddel tegen de vochtige vijand te presenteren.

Na een storm hijst de Unie van Waterschappen dadelijk kamerleden in een helikopter om in vogelvlucht te laten zien dat meer geld nodig is voor bescherming van de kust. Maar de waterbouwkundigen trekken niemand de lucht in om te tonen dat het landschap omgebracht wordt.

Je zal er maar het slachtoffer van zijn. De familie van de oude Udo woonde sinds onheuglijke tijden in een huis op de Waalbandijk in Varik, een dorpje aan de Waal. Udo keek voortdurend uit over uiterwaarden en rivier. Hij leefde in het landschap. Hij was zelf, net als zijn huis, een deel van het landschap.

Zo'n zeventien jaar geleden kwam de mededeling dat de dijk verhoogd moest worden omdat de stand van het rivierwater een gevaarlijk peil ging bereiken. Huizen moesten gesloopt worden. Udo gehoorzaamde. Hij liet een kleine bungalow achter de dijk bouwen en vertrok. Hij stelde vervolgens vast dat krakers zijn huis bezetten. Dat zijn huis daarna werd verhuurd.

Hij had zich laten dwingen zijn plaats in het rivierenlandschap af te staan voor het grote belang van de strijd tegen het water. Maar zijn opoffering was wat te snel geweest en anderen konden zijn huis aan de rivier betrekken. Hij stierf aan een hartinfarct. Andere dijkbewoners, die niet zo snel geweken zijn voor de druk van de dijkenbouwers, zitten dikwijls nu nog in hun woningen. Sommigen hebben zelfs te horen gekregen dat hun huizen, anders dan oorspronkelijk het plan was, niet gesloopt zullen worden.

Voor de dijkenbouwers is er nooit een probleem. Zij presenteren telkens opnieuw plannen alsof die de enige middelen zijn om te voorkomen dat Gods water over Gods akkers zal stromen en man en muis zal vergaan. Als je ze hoort praten krijg je de neiging om een roeiboot aan de schoorsteen van je huis te binden zodat je leven ook veilig is in de tijd dat uiterwaarden nog niet verwoest zijn, huizen nog niet gesloopt en dijken nog niet verhoogd en recht getrokken.

Het rivierenlandschap wordt vernietigd in een waanzinnige strijd tegen het water. Strategieen van generaals kunnen later nog eens kritisch bekeken worden. Militairen kunnen een fout onder ogen zien en deze daardoor niet herhalen. De meest fervente bewonderaars van Napoleon zijn in staat te erkennen dat hun held in Rusland verloor. Maar de geschiedenis van de waterstaat wordt louter als een aaneenschakeling van overwinningen verteld. Als een zonder rustpauzes doorgaande strijd om de voeten droog te houden, waarbij mens noch landschap worden ontzien.

Bovenstaande is een bijdrage uit het pamflet 'Attila op de bulldozer' dat is verschenen bij Uitgeverij Van Oorschot (zie ook Cultureel Supplement van 26 oktober).