Voor de koppeling

'Het woord is aan de minister-president.' 'Dank u, voorzitter. De laatste weken is de discussie over de koppeling weer opgelaaid. Veel mensen die moeten leven van een uitkering zijn bezorgd: breekt de regering haar belofte om de koppeling voor de volle vier jaar te handhaven? Mijn collega's en ik willen die angst wegnemen. Iedereen die afhankelijk is van een uitkering kan rekenen op een jaarlijkse verhoging die past bij de inflatie en de loonstijging. Aan het principe van de koppeling wil dit kabinet niet tornen. Maar dat kan alleen als wij ook in ander opzicht een breuk maken met het verleden. De vraag wie recht heeft op een uitkering moet voortaan beter worden beantwoord. En er is maar een goed antwoord: uitkeringen zijn bedoeld voor mensen die geen alternatief hebben. Als wij daar strikt rechtvaardig de hand aan houden, zowel in Den Haag als bij de uitvoerende instanties in het land, dan hoeft er geen angst te zijn over handhaving van de koppeling tot en met 1994.'

De premier heeft zo niet gesproken. En dat is dubbel verdrietig: in de eerste plaats omdat, wat hij wel zei in antwoord op Duisenberg, hem en zijn criticus onwaardig was; bovendien omdat hij een kans miste om de discussie over de koppeling op een hoger plan te brengen. Want hoe wordt er immers over de koppeling gesproken? De politici noemen grote bedragen vijf, tien of vijftien miljard gulden die staan voor hypothetische extra tekorten in 1994 als de koppeling blijft. Duisenberg kwam op het hoogste bedrag uit; Lubbers houdt vast aan een veel lager getal.

Ruzie over de prognoses voor dat verre jaar is zinloos en verwarrend. Zinloos omdat zo veel afhangt van de olieprijs en de gemiddelde economische groei, die beide zeldzaam onzeker zijn. Verwarrend omdat het debat in feite gaat over de handhaving van de koppeling, maar voor- en tegenstanders te vinden zijn in allebei de kampen. Zo noemt bij voorbeeld financiele specialist Melkert van de PvdA een hoog bedrag voor de extra problematiek in 1994, maar dat is om aan te geven dat hij bereid is serieus te bezuinigen wanneer dat nodig is voor het handhaven van de koppeling.

Premier Lubbers en minister Kok verkiezen een lager cijfer als het gaat om 1994, maar willen daarmee aangeven dat de koppeling op dit moment nog geen groot gevaar loopt.

Bovendien is het bestuurlijk laf om de discussie over de koppeling te voeren via claims en contra-claims over extra bezuinigingen in 1994. In feite dient de discussie over 1994 het puur politieke doel om alle belangrijke beslissingen uit te stellen tot na de verkiezingen voor de provinciale staten van maart 1991. De politici doen er beter aan om de kwaliteit van de overheid op dit moment te verbeteren, dan elkaar te lijf te gaan met al maar meer gecompliceerde berekeningen voor een jaar dat nog niet op de agenda staat.

Dus stagneert het echte debat over de koppeling. Nog steeds lijkt het alsof de gemiddelde PvdA'er bij het woord 'koppeling' vooral denkt aan de gehandicapte in een rolstoel die voor honder procent afhankelijk is van een uitkering. Daarom moet de koppeling blijven. Een VVD'er ergert zich aan de werkloze semi-intellectueel in Amsterdam die zwart bijverdient en geen haast maakt met solliciteren. Hoe minder belastinggeld die ontvangt, des te beter.

Er zijn twee mogelijke uitkomsten voor deze patstelling. Of de koppeling blijft voor de gehandicapte, en is betaalbaar omdat de werkloze ex-student moet gaan werken; of de politiek ziet ervan af om het recht op een uitkering te herijken, en dan maakt de koppeling heel weinig kans. De eerste oplossing is in alle opzichten beter, maar vraagt direct om betere naleving van de bestaande wetten alsmede invoering van een paar nieuwe regels. Het tweede scenario de koppeling blijkt langzamerhand onbetaalbaar wegens het ontbreken van 'volumebeleid' ontrolt zich langzamer en kan inderdaad worden opgeschort tot volgend jaar, maar gaat de regeringspartijen uiteindelijk nog veel kosten.

Dat blijkt uit de resultaten van recent opinie-onderzoek. Volgens de laatste enquete (1989) meent 57 procent van de ondervraagden dat de uitkeringen moeten stijgen. Tien jaar geleden vond een grote meerderheid van 80 procent nog dat het nodig was om de uitkeringen te bevriezen of zelfs te verlagen, hoewel de inflatie in Nederland toen dubbel zo hoog was en de uitkeringstrekkers dus vier tot vijf procent aan koopkracht zouden verliezen. Sterke steun dus voor zoiets als de koppeling.

Dezelfde enquete vroeg ook of werklozen zich mochten onttrekken aan de plicht tot solliciteren. De meerderheid vindt van niet, en dat is niet anders dan tijdens de recessie van 1981. Men wil al tien jaar lang een beleid dat (eindelijk) de regels toepast en sancties waar nodig niet ontwijkt. Zoals bekend uit studies van de WRR en het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid schort het daaraan vooral in de grote steden, waar bureaucratische oorlogen tussen arbeidsbureaus en sociale diensten grote schade hebben aangericht.

Ten slotte zijn er enquete-cijfers over de vraag: 'Vindt u het rechtvaardig wanneer de verschillen tussen werkenden en uitkeringstrekkers groter worden?' De laatste paar jaar vindt een meerderheid van de Nederlanders dat onrechtvaardig; in 1985 toen die vraag voor het eerst werd gesteld had een meerderheid geen probleem met meer afstand tussen salarissen en uitkeringen.

De publieke opinie is helder en eist hogere uitkeringen dan in de jaren tachtig. De koppeling kan overeind blijven dat is kennelijk de wens van een duidelijke meerderheid maar mijns inziens alleen bij een strikt volumebeleid in de sociale verzekering, de ziektewet en de studiefinanciering. Is daar politiek kans op? Vooraanstaande politici spreken tegenwoordig wel vrijmoedig over sancties bij werkweigering etc., maar doorbreken van het taboe in Den Haag betekent nog niet doorbreken van de praktijk in de grote steden. Bij de studiefinanciering groeit overeenstemming over studieleningen tegen marktrente (met gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld voor de arme dominee in Urk). Dat is winst, maar Kamerleden gaan nog niet ver genoeg. Zij suggereren nu voorzichtig het bevriezen van de miljarden aan beurzen voor de studenten in plaats van het afschaffen van contante giften aan bevoorrechte jongeren. Het zou voldoende moeten zijn dat hun onderwijs al zwaar wordt gesubsidieerd, maar daar lijkt de politiek nog niet aan toe.

De afgelopen paar jaar ging het zo goed met de economische groei dat de politici moeilijke beslissingen konden uitstellen. Het gevolg was alleen een nog hogere staatsschuld, maar wie heeft daar dagelijks last van? Nu wordt de groei minder, en dreigt de koppeling te bezwijken. Dat zou de politiek voor lange tijd verlammen, en erger nog in strijd zijn met wat een duidelijke meerderheid van ons Nederlanders wenst als rechtvaardig beleid.