Technische sector televisie wordt nog beheerst door NOB; Verplichte winkelnering

Vroeger werd alle techniek voor de Hilversumse omroepen verzorgd door het NOB, het Nederlands Omroepproduktie Bedrijf dat sinds 1 januari 1988 is losgemaakt van de NOS en sindsdien zelfstandig werkt. Het NOB is niet het enige technische omroepbedrijf in Nederland, er is nog een aantal kleinere die een graantje meepikken op deze markt waar jaarlijks circa 400 miljoen gulden wordt omgezet. Wel zit het NOB in een voordelige positie. De omroepen zijn verplicht driekwart van hun techniek bij dit bedrijf te kopen en het Commissariaat voor de Media rekent elk jaar opnieuw uit hoeveel dat is. De NOS krijgt in 1990 zestig miljoen voor technische faciliteiten, de A-omroepen met elkaar 141 miljoen en de beide B-omroepen (VPRO en EO) samen 42 miljoen gulden. Van deze bedragen moeten ze 75 procent besteden bij het NOB, met de rest mogen zij op de vrije markt inkopen doen. Dit jaar geldt deze regel voor het laatst. De bescherming die het NOB op deze manier krijgt, is in strijd met de EG-regels voor vrije concurrentie en wordt afgeschaft.

Toen de omroepen al hun techniek nog bij het NOB betrokken, bestonden er ook al vrije bedrijven, maar dat komt doordat er vaak veel werk tegelijk moet worden verzet. Ook nu nog werken de kleine, particuliere bedrijven voornamelijk als onderaannemers van het NOB.

De NOB is in deze sector het grootste bedrijf in Europa en volgens iedereen die het kan weten ook het mooiste en het beste. Niemand twijfelt er aan dat het op eigen benen kan staan, al is een voorwaarde dat het ondernemingsplan moet zijn uitgevoerd en dat houdt in dat voor 1991 eenderde van het personeel moet zijn vertrokken om de kosten te drukken. Tot nu toe verloopt alles volgens plan, behalve dan dat voor dit jaar wordt verwacht dat de omroepen 20 miljoen te weinig besteden bij het NOB.

'We zitten er naar schatting anderhalf tot twee miljoen onder, maar dat lopen we voor het einde van het jaar nog in', aldus Veronica. 'We zitten iets te laag, maar weinig', verklaart de AVRO. 'Wij halen onze verplichting ruim', zegt de NOS en dit wordt herhaald door alle omroepen.

Eensgezind zijn de omroepen ook op een ander punt. Ze werken efficient en zuinig, hun totale bestedingen aan techniek zullen onder het door het Commissariaat voor de Media uitgerekende budget blijven. Wat niet kan, want overhouden mag niet. Het geld dat de omroepen vorige jaren spaarden op hun budget voor radiotechniek, werd in een fonds gestort waaruit het opdoeken van de radiostudio's van de omroepen wordt gefinancierd.

Het begrip techniek is niet al te nauw omschreven. 'Het is een wat diffuus gebied, de omschrijving van techniek is zo ruim dat wat wij als directe programmakosten beschouwen er soms ook bij kan', meent de woordvoerder van de VPRO. 'Het Commissariaat kan formeel opeisen wat we overhouden, maar dat kan toch niet de bedoeling zijn', zegt de financiele man van de TROS. 'Dat zou een straf betekenen op zuinig zijn, ' bromt de zegsman van de VARA. De zuinigheid van de omroepen heeft wel tot gevolg dat het kwart van de budgetten waarop de vrije bedrijven rekenden, nauwelijks wordt besteed.

'De totale uitgaven voor techniek liggen dit jaar lager en dus ontvangt het NOB veel meer dan driekwart van de budgetten. Het loopt op tot 90 of 95 procent van wat de omroepen aan faciliteiten uitgeven.'

De particuliere sector is teleurgesteld over de gang van zaken tot nu toe met die verzelfstandiging van het NOB. Drs. F. Albregts, directeur van de Cinevideogroep en bestuurslid van de branche-organisaties AFN: 'In oktober '89 wilde het ministerie van WVC de bestedingsverplichting omlaagbrengen naar vijftig procent. Het voorstel lag al klaar, toen het beleid ineens veranderde en de 75 procent gehandhaafd bleef. Wij hadden vooruitgedacht en geinvesteerd, ook met het oog op het volledig verdwijnen van de verplichting.'

'Ons vertrouwen in het politieke traject is wel voorbij', verklaart P. J. C. Schepman, directeur van Bob Kommer Produkties en eveneens bestuurslid van AFN. Albregts en Schepman menen dat het NOB voor zijn meerjarencontracten tarieven hanteert waar de vrije sector niet voor kan werken en, om van de concurrentie te winnen, dit jaar met dumpprijzen werkt.

'Toen het NOB zelfstandig werd, klaagde het steen en been over onze lage prijzen, maar de kleine bedrijven zijn altijd huiverig geweest voor te lage prijzen. Voor het komende jaar werkt het NOB met tarieven waar wij niet tegen op kunnen, wij krijgen trouwens niet eens de gelegenheid om tegen hen op te bieden. De omroepen wilden zo graag de vrije markt op, maar zijn nog niet toe aan vrij winkelen. Ze moeten dat leren en ondertussen bestookt het NOB hen met aantrekkelijke voorstellen voor de komende jaren. Dit jaar spelen de omroepen op veilig. Zij weten welk bedrag bij het NOB moet worden besteed en als wij iets voor hen doen zeggen ze vaak dat de rekening via het NOB moet lopen.'

Mr. A. de Rouw, directie-secretaris bij het NOB, ontkent dat zijn bedrijf met stuntprijzen zou werken. 'Nee, geen dumpprijzen, dat zou dom zijn. Daarmee zouden we onze ondergang tegemoet gaan', zegt hij. Op de vraag of het NOB dit jaar af en toe dusdanig lage tarieven heeft berekend dat de betrokken projecten onmogelijk nog rendabel kunnen zijn, antwoordt De Rouw: 'Ik kan niet zeggen dat het incidenteel niet is gebeurd.'

    • Wilma Cornelisse