Roeping

'O Heer, die wilt dat allen zalig worden, schenk aan uw volk vele en ijverige priesters, opdat de mensen geen gebrek hebben aan leiders op de weg, die voert naar de hemel.

'Wanneer Gij, O Heer, het kostbare zaad van een heilige roeping in een reine jongensziel uitstort, dat het dan niet verstikt worde door de wufte geest van de wereld, die slechts in genot het geluk van de mensen zoekt: maar dat het door edelmoedige medewerking met uw goddelijke Voorzienigheid, heerlijk opschiete en rijke vruchten voortbrenge.

'Geef aan de vaders en de moeders licht en kracht, opdat zij gaarne hun kinderen aan de dienst van uw altaren afstaan en met wijze en doeltreffende maatregelen de heilige roeping van hun zonen bevorderen en tegen de verleiding beschermen.

'De oogst is groot, doch werklieden zijn er weinig. Zend, o Heer, werklieden in uw wijngaard, die met heilige ijver bezield, zich zelf vergetend, slechts werken voor uw glorie en voor het heil van de onsterfelijke zielen.'

Deze tekst klinkt nu als een aardige pastiche, maar dat is het niet: het is de letterlijke tekst van Gebed om priesterroepingen, afkomstig uit De katholieke moeder in haar opgang naar God, een gebedenboek dat nog tot in de jaren vijftig in de handel was. Die katholieke moeders van toen werden gemaand veel en toegewijd te bidden, vooral voor het zieleheil van hun zoons, want voor de kerk waren er nooit genoeg werklieden in de wijngaard.

Als zo'n jongen het dan eindelijk tot priesterstudent had geschopt, mocht moeder een ander gebedje opzeggen met deze alinea: 'Er is echter nog een lange weg, die hem van zijn ideaal scheidt, talrijke moeilijkheden zal hij nog moeten overwinnen; de wereld zal proberen hem zijn roeping te doen verliezen; de duivel zal het hem lastig maken, en het eigen vlees zal hem niet met rust laten.'

Er is sindsdien veel veranderd, zelfs in de katholieke kerk, maar de duivel is kaarsrecht overeind gebleven, en met hem de aanvechtingen van het eigen vlees. Het genot dat is niets anders dan de duivel zelve. Dat heeft ook mgr. Gijsen, de bisschop van Roermond, altijd goed begrepen. Hij drukte de priesterstudenten van 'zijn' Rolduc op het hart dat zij zich niet moesten binden 'aan mensen noch aan hun eigen zucht naar genot, met name op seksueel gebied; de celibataire priester behoort helemaal God toe, ook lichamelijk.'

Het mocht niet baten. Het genot kroop ook in Rolduc waar het niet gaan mocht: in biechtstoelen, toiletten en conrectorskamers. Op de VARA-radio kwam zaterdag een gesjeesde priester de hele treurigheid vertellen: veel schuldgevoelens, verscheurdheid en, zoals dat in die kringen heet, zelfbevlekking en ten slotte de seks met de biechtvader en met een gehuwde koordame, kortom: de wufte geest van de wereld.

De biechtvader wordt inmiddels als een soort misdadiger afgeschilderd: hij zou die stakkerige priesterstudent een man van 21 jaar hebben verleid. Een nieuwe vorm van seksueel misbruik: seminaristenschennis. De dader zit nu te boeten in een Zuidduits klooster. En de bisschop? Die blijft, zoals altijd, buiten schot. Hij zwijgt, want hij heeft het erg druk met zijn filiaal van het nieuwe pauselijke Instituut voor Huwelijk en Gezin.

Wat zou hij daarmee van plan zijn? Als ik katholiek was, en zeker als ik vrouw was, zou ik me daarover ernstig zorgen maken. Want ook de moeder van Gijsen is ongetwijfeld opgegroeid met dat gebedenboekje waaruit ik hiervoor citeerde en reken maar dat die teksten er destijds bij de kleine Jo zijn ingegoten als Gods woord in een misdienaar.

Zoals deze: 'Ga nooit tegen uw man in, maar buig steeds mee: het riet dat door de zwakste zucht van de wind heen en weer wordt bewogen, maar zelfs in de felste storm niet breekt (...) Met het stijgen van de jaren kan uw sexuele afkeer toenemen, maar ook hieraan moogt gij geen voedsel geven. Bezin u op uw christelijke plicht als gehuwde vrouw. Door het huwelijk heeft uw man bepaalde rechten verworven, die hij van u mag opeisen, ook als gij er zelf niets voor voelt, ook als gij er een afkeer van hebt.'

    • Frits Abrahams