JACQUES DEMY 1931-1990; 'Huil als je kunt, lach als je wilt'

Afgelopen zaterdag is op 59-jarige leeftijd Jacques Demy overleden, de Franse filmregisseur die beroemd werd door te experimenteren met de film en chant. In deze films liet hij letterlijk alle dialogen zingen, altijd op muziek van Michel Legrand. De eerste film die hij op die manier maakte was Les parapluies de Cherbourg (1964), de laatste Une chambre en ville (1982).'Musicals' worden ze genoemd, maar dat zijn ze niet, daarvoor missen ze te zeer uitzinnigheid en de moed om ordinair en rechtuit te zijn. 'Film-operettes' zou een beter woord zijn: teder, hups en melo-romantisch.

Jacques Demy begin zijn loopbaan in de cinematografie toen hij, na een studie kunstgeschiedenis in Nantes, in 1952 assistent werd van de animatiefilmer Paul Grimault. In 1954 werkte hij bij de documentaire filmer Georges Rouquier. Na enkele korte films debuteerde hij in 1960 met Lola, die hij opdroeg aan zijn grote voorbeeld Max Ophuls. In Lola zette hij de sporen uit die hij in de meeste van zijn latere films zou volgen. Verschillende personages zouden opnieuw optreden en aanzetten tot verhaallijnen zouden in later werk worden ingelost.

Anouk Aimee speelde in die film het archetype van de Demy-vrouw: mooi, romantisch, berustend en vol hoop. Zelfs het motto van Lola zou van toepassing blijven: 'Pleure qui peut... rit qui veut' huil als je kunt, lach als je wilt, meer valt er van het door het toeval beheerste leven niet te verwachten. En al in deze zwartwit-film was de elegante vorm en met name de kleur allesoverheersend. Want wit kon Demy eruit laten zien als laaiend wit, zwart als rouwend zwart.

Wie zijn derde film Les Parapluies de Cherbourg kent, zal zich zeker de juichende pasteltintjes van de paraplu's herinneren in de steile straatjes van het natte Atlantische kunstplaatsje. Kleur zou belangrijk blijven voor Demy; hij hechtte er een zwaar symbolische waarde aan, die echter niet al te origineel en soms zelfs banaal was: werd een scene beheerst door violet-roze van de kleding van de actrice tot de stoffering van de salon dan gedijde de onschuldige liefde; werd het licht harder en het roze paarser dan dreigde er ellende. Warmer licht en dus een ontwikkeling naar donkerrood betekende liefde en zonde.

Les Parapluies kreeg de Gouden Palm in Cannes en Demy maakte zijn volgende 'zing-film': Les Demoiselles de Rochefort (1966), met Catherine Deneuve en haar zusje Francoise Dorleac.

Daarna ging Demy in op uitnodigingen te komen werken in het buitenland. Het was geen succes The Model Shop (in 1968 in de VS gemaakt) of The Pied Piper of Hamelin (1971, Groot-Brittannie) waren niet wat hij of zijn publiek ervan verwachtten en Demy trok zich terug tot en met 1982.

Toen hij met Une Chambre en ville opnieuw een film en chant maakte bleek de energie en de frisheid uit die aanpak te zijn verdwenen. De gezongen dialogen (onder anderen door Michel Picoli en Dominique Sanda) waren soms onbedoeld komisch, de muziek van Legrand ongeinspireerd en kneuterig. Demy had zijn tedere romantiek ingeruild, zijn hoop en stille verwachting voor zwaar liefdesdrama met moord en zelfmoord, tegen de achtergrond van een historische, bloederig neergeslagen staking in Nantes (1955).

In 1988 maakte Demy nog Trois Places pour le '26. Die film ging, ondanks het feit dat hij de comeback als filmacteur van Yves Montand markeerde, vrijwel onopgemerkt voorbij.