Hoeveel fiscale hoogleraren zijn onafhankelijk?

De wijzigingen in het wetsvoorstel Brede Herwaardering hebben aanleiding gegeven tot enige opwinding. De wetswijzigingen verlaten de gedachte dat iedereen als lijfrente mag aftrekken wat hem goeddunkt, ook al was het fl.300.000, - per jaar. Op de opiniepagina van NRC Handelsblad van 22 oktober 1990 beveelt prof. mr. Ch. Langereis, advocaat te Amsterdam aan, dat de bewindslieden ter zake van de Nota van Wijziging advies vragen aan de Raad van State. De auteur verzuimt echter de geldende regels ter zake weer te geven. Wat is het geval? Op 28 juli 1981 heeft de stafafdeling Harmonisatie Wetgeving van het Ministerie van Justitie inzake het voorleggen voor advies van wijzigingen in wetsvoorstellen die reeds de Raad van State gepasseerd zijn aanbevelingen gedaan. Het kabinet heeft deze overgenomen. In de daarop volgende brief van 11 maart 1982 van de Minister-President aan alle Ministers en Staatssecretarissen (deze stukken zijn afgedrukt in het Draaiboek voor de Wetgeving) zijn voor het onderhavige geval de volgende passages relevant.

'Over ingrijpende wijzigingen voor de indiening van een wetsontwerp aangebracht, die niet het gevolg zijn van het advies van de Raad van State, behoort naar het oordeel van de Commissie de Raad steeds opnieuw te worden gehoord.'.

'Met betrekking tot ingrijpende wijzigingen, nadien aangebracht, zou naar het oordeel van de commissie uitgangspunt moeten zijn dat de Raad over zulke wijzigingen wordt gehoord. Daarbij moet ruimte zijn voor een zekere belangenafweging. In concreto zal die erop neerkomen dat het belang van advisering wordt gesteld tegenover met name het belang van de voortgang van de behandeling van het betrokken wetsontwerp.'

Het bovenstaande is voor de Vaste Commissie van Financien van de Tweede Kamer aanleiding geweest om de bewindslieden te vragen om indien zij een Nota van Wijziging aan de Kamer toezenden daarbij aan te geven wat de gronden zijn waarop zij tot het besluit zijn gekomen geen avies van de Raad van State te vragen.

Voor de goede orde zij opgemerkt dat de Raad van State het in het wetsvoorstel neergelegde regime van het natuurlijk maximum, zwaar had bekritiseerd. De volgende zin spreekt toch in dit verband boekdelen:

'Afgewacht zal echter moeten worden of ook in de toekomst de dan verantwoordelijke bewindslieden bereid zullen zijn de gevolgen van een te royaal gebleken fiscaal regime voor wat betreft lopende contracten duurzaam ten laste van de schatkist te brengen.'

Vervolgens citeert de Raad met instemming de leidraad bij het Besluit op de Inkomstenbelasting 1941:

'dat het de belastingplichtige niet mogelijk mag zijn, zijn zuivere inkomen geheel naar welgevallen omlaag te brengen door het sluiten van lijfrenteverzekeringen.'

De bewindslieden slaan derhalve met hun wijziging de richting in door de Raad van State aangegeven. Het is niet onredelijk indien dit punt ook een rol heeft gespeeld bij de afweging van de bewindslieden. Het ware beter geweest indien prof. mr. Ch. Langereis deze informatie de lezers zou hebben medegedeeld. Langereis onthoudt de lezer nog meer belangwekkende informatie. Hij verzuimt namelijk mede te delen dat hij in het kader van dit wetsvoorstel ook als lobbyist voor het Nederlands Verbond van Verzekeraars optreedt. Op zichzelf is daar natuurlijk niets op tegen. Indien men over een bepaald onderwerp publiceert zou het echter naar mijn mening tot de gedragscode van de universitaire wereld dienen te behoren te vermelden, door wie men is aangetrokken, tot wie men in zakelijke relatie staat.

Nu lijkt bij voorbeeld zijn mededeling dat weinig misbruik plaatsvindt (ook bij voorbeeld in het kader van de studiefinanciering) op wetenschappelijk onderzoek gefundeerd te zijn. Het is echter niet anders dan de opvatting van de Nederlandse Vereniging van Levensverzekeraars (N. V. L.), reeds te vinden in het opmerkelijke interview van de voorzitter, de heer Beugelsdijk in de Volkskrant van 29 september 1990.

Prof. Langereis doet nog een andere interessante aanbeveling namelijk dat de wetenschappelijke wereld alsnog ruim de tijd moet worden gegund om commentaar te leveren. Dit voorstel is uit de mond van de professor wel wat vreemd. Blijkens NRC Handelsblad van 4 juli 1990 heeft hij aan redacteur Hans Buddingh' verklaard: Het aantal fiscale hoogleraren dat echt onafhankelijk is kun je op de vingers van een hand tellen.

Zou het nu echt de bedoeling zijn dat alle verzekeringsmaatschappijen een hoogleraar inhuren, de kleinere een hoofddocent, om het wetsvoorstel te becommentarieren? Hoe moet de echte onafhankelijke critische wetenschapper bewijzen dat hij tot de vijf van Langereis behoort die onafhankelijk zijn? Zolang de fiscale wetenschappers de door mij aanbevolen code niet strikt volgen zal het gezag van het wetenschappelijk of in een aantal gevallen zogenaamd wetenschappelijk commentaar niet groot zijn. De verzekeringsmaatschappijen hebben, zo heb ik ervaren, voortreffelijke fiscale juristen in dienst, ook hebben zij goede belastingadviseurs. Naar hun argumenten zal ik gaarne luisteren. Een voordeel is dat het vizier open staat. Aan door het bedrijfsleven voorgeprogrammeerde wetenschappelijke opinies bestaat geen behoefte.