Expositie bij 400-ste sterfdag Dirck Volkertsz.; Coornhert Ieder oprecht mens verdient een eigen plaats in de hemel

In een reeks van acht gravures is God in de weer met de schepping van de wereld: vliegend door een lege ruimte scheidt Hij licht van duisternis; het water en de hemel ontstaan in een enerverende duikvlucht; laag scheert Hij over woeste golven en duidt de aarde en de zee, de vissen en de vogels. Pas op de een-na-laatste dag zet God voet aan de grond en schept, alsof Hij in een rustige conversatie verwikkeld is, de dieren en de mens. Dit is de zesde dag en de kroon op Zijn werk. Na een korte rondleiding van het eerste mensenpaar door de Hof van Eden, zakt God neer in een zetel en rust uit. Met Wijsheid en Kracht aan Zijn zijde bestiert Hij de wereld.

Deze prentenserie van Dirck Volkertsz. Coornhert (1522-1590) is om een aantal redenen opmerkelijk. Coornherts God heeft geen aangezicht althans niet een waar de toeschouwer zicht op krijgt. We zien God en profil en van de rug af verdiept in zijn arbeid, of kijken vanuit de hoogte op zijn kruin neer. Vermoedelijk heeft Coornhert uit godsdienstig ontzag de Allerhoogste, die volgens sommigen niet in menselijke termen of beelden te omschrijven valt, nergens frontaal afgebeeld. Daarnaast blijkt uit de onderschriften die Coornhert ontleende aan Augustinus' De genesi contra Manichaeos, dat de gravures niet alleen de Genesis in beelden vertalen, maar ook nog een tweede, allegorische betekenis hebben. Ze vergelijken elke scheppingsdag met een fase uit het leven van een vroom en godsdienstig mens. Ten slotte wordt duidelijk dat Coornhert geen virtuoos met de burijn was. Zijn figuren zitten anatomisch vaak raadselachtig in elkaar: hoofden gaan direct over in ruggen of balanceren wankel op een sprietig nekje.

De 'Scheppingsdagen' kunnen niet precies gedateerd worden. Sommige kunsthistorici nemen aan dat Coornhert de voorstellingen in Haarlem graveerde, vlak na de Pacificatie van Gent (1576), toen hij uit Duitse ballingschap naar Holland terugkeerde. Anderen menen dat de reeks veel later ontstond, pas in de jaren 1583-1584. Daarmee zouden de prenten de laatste zijn die Coornhert maakte.

Momenteel hangen de gravures op de tentoonstelling Tussen Goed en Kwaad in het Goudse Catharina Gasthuis. Naast prenten van Coornhert zijn er gravures en houtsneden te zien die het tijdperk van de beeldenstorm toelichten, en liggen er boeken van Coornhert, Luther en Calvijn uit de Goudse Librije in vitrines uitgestald. De expositie illustreert Coornherts sterfdag, vandaag 400 jaar geleden.

De organisatoren hebben een selectie gemaakt uit de periode tussen 1550 en 1583/'84, de jaren dat Coornhert eerst vanwege zijn sympathie voor Oranje en later na de beeindiging van de Spaanse bezetting vanwege zijn anti-calvinistische denkbeelden verbannen en vervolgd werd.

Bij de inrichting van de tentoonstelling heeft men niet gekozen voor een chronologische rangschikking, maar presenteert men Coornherts werk als een wereldbeschouwelijk en moralistisch stripverhaal. De gravures hebben in de eerste plaats een didactisch doel. Door middel van allegorieen, personificaties en christelijke symbolen houdt Coornhert de mens voor hoe hij tijdens het leven op aarde eeuwigdurende zaligheid in de hemel kan verwerven. Ook laat Coornhert zien hoe het mis kan gaan in de wereld als domheid en begeerte het volk, de geestelijke en wereldlijke heersers in hun greep houden. Calvinisten, katholieken, doopsgezinden en lutheranen, geen enkele geloofsrichting vindt in zijn ogen genade. Ze prediken allemaal onverdraagzaamheid en zijn afgedwaald van het voornaamste gebod uit de bijbel naastenliefde en liefde voor God.

Tegen zaken als twist, rijkdom, hebzucht, seks, drankzucht en huichelarij kan en moet de sterveling zich wapenen met de bijbel, meent Coornhert. Want de bijbel, '(...) is de allerhoogstwaardige schat op aarde, die ons naar de hemel wijst'. Door bestudering van de bijbel leert de mens onderscheid maken tussen goed en kwaad, en leert hij ware vroomheid kennen. Volgens Coornhert, en hiermee sluit hij aan bij een christelijk humanist als Erasmus, is van ieder mens een oprecht gelovige te maken die een plaats in de hemel verdient. Dit is het belangrijkste geschilpunt met de calvinisten, die in predestinatie geloven en ervan overtuigd zijn dat God al voor de geboorte besloten heeft wie gelukzalig wordt en wie eeuwig moet branden in de hel.

De gravures zijn vooral vanuit historisch oogpunt interessant. Artistiek heeft Coornhert veel minder te bieden. Hoewel hij probeerde de toeschouwer ook emotioneel te beroeren, komen zijn composities vaak statisch en krampachtig over. Deels is dit te wijten aan degene met wie Coornhert samenwerkte. Met bijvoorbeeld Maarten van Heemskerk als inventor komt Coornhert tot veel geslaagdere produkten dan wanneer Adriaan de Weert of de nog heel jonge Hendrick Goltzius hun stempel drukken op de voorstelling.

Carel van Mander prijst in zijn Schilderboeck de vele 'sinrijcke beduytselen' die Coornhert voor Van Heemskerck bedacht en die de schilder vervolgens in beeld bracht, zodat Coornhert die voorstellingen weer in prent kon brengen. Fraai is de uit deze samenwerking voortgekomen reeks 'Hoe de wereld zich niet beteugelen laat' (1550). Hoewel de symboliek ook op deze serie loodzwaar drukt, is Coornhert er door een soepele hantering van de graveerpen in geslaagd de afbeelding vaart te geven. De wereld, vastgegroeid op de rug van een op hol geslagen paard, is niet meer door rechtvaardigheid, liefde en wetenschap te stuiten. Met wilde bokkesprongen werpt het paard zijn berijders af en sleept alles en iedereen mee in zijn uiteindelijke val. Coornhert graveerde de prenten waarschijnlijk als vermaning aan zijn tijdgenoten om de wereld niet op zijn beloop te laten gaan, maar slechte zaken ten goede te keren.