'Zwarte Khmer' veranderde Mozambique in een ruine

CHIMOIO (Mozambique), 27 okt. In lange rijen liggen ze in de winkelgalerij voor het restaurant Ponto Final. Ze hebben zich afgedekt met dekens, doeken en zakken, anderen zijn voor warmte dicht tegen elkaar aan gekropen. Het is middernacht. Dit zijn de 'deslocados' van Chimoio, enkele honderden van de zes miljoen ontheemden in Mozambique. Verdreven uit hun geboortestreek door de oorlog bouwden ze een nieuw onderkomen rond Chimoio. Ook daar vonden ze geen bescherming tegen de oorlogsterreur, ze brengen de nacht door op veranda's, in garages en portieken van het stadscentrum.

Zondagmiddag. Een groepje vrouwen zit met bedrukte gezichten in de koelte van een avocadoboom. Stilte. Omringd door haar vriendinnen staart Alphonsina Luciana naar de grond. 'Het was gisteravond om zeven uur, we brouwden bier', verbreekt Alphonsina het zwijgen. 'Weet u, we vertrekken altijd veel vroeger naar het stadscentrum van Chimoio, om er te slapen en we verbergen onze spullen. Maar het was zo gezellig gisteravond. Toen hoorden we schieten, hier vlakbij. Ik zei tegen Michael, mijn man, dat we snel op moesten stappen. 'Ik kom zo wel', zei hij'. Sindsdien vernam Alphonsina niets meer van Michael, de gewapende overvallers ontvoerden haar echtgenoot.

Man van middelbare leeftijd Goveia Samponha komt er bijzitten. Hij stopt een hoopje onbewerkte tabak in een stukje papier en draait er een sigaret van. 'Ze kwamen ook bij mijn huis, het waren er zeven. Ze zeiden niets en begonnen mijn spullen te pakken. Ik verdedigde me en begon te slaan. Een wist ik er gevangen te nemen, die leverde ik af bij de volksmilitie'.

Vijfhonderd meter verderop vertelt een lid van de volksmilitie dat de gearresteerde bandiet een soldaat blijkt te zijn van een andere volksmilitie verderop in het district. De volksmilities werden in het leven geroepen om de Mozambikaanse burgers te beschermen tegen de terreur van de rebellenbeweging Renamo. Het militielid gaat gekleed in gescheurd militair uniform, zijn schoenen worden bijeen gehouden door ijzerdraad. Waarom gingen zijn manschappen de aanvallers niet achterna? 'Ach senor, het bleek al te laat', antwoordt hij gelaten. Een omstander zucht: 'Dit soort aanvallen komen zo regelmatig voor, de autoriteiten laten het maar lopen. De gewapende bandieten zitten overal, misschien zelfs nu hier'. Hij loopt hoofdschuddend weg.

Ruines

De Mozambikaanse samenleving is een ruine. Na acht jaar intensieve vernietiging door Renamo raakte bijna de helft van de 15 miljoen Mozambikanen ontheemd, van wie 1,5 miljoen naar het buitenland uitweken. Veiligheid is een luxe voor degenen in de stadscentra, in 90 procent van het land heerst gewapende anarchie. Een geschatte 20.000 Renamo-leden strijden tegen 100.000 slecht bewapende regeringstroepen met een laag moreel, die worden bijgestaan door ongeveer 10.000 Zimbabweaanse militairen. Overleven is het enige doel geworden van vrijwel iedere Mozambikaan. Menigeen doet mee aan het gewapende geweld en komt al rovend aan zijn dagelijkse behoefte.

Renamo onderscheidt zich als de bruutste guerrillabeweging van Afrika; de 'zwarte Khmer' verhief terreur tot doel. Opgericht in de jaren zeventig door de Rhodesische veiligheidsdienst om de vanuit Mozambique opererende guerrillastrijders van Robert Mugabe (nu president van Zimbabwe) te bestrijden, werd de beweging in 1980 geadopteerd door Zuid-Afrika.

Pretoria gebruikte Renamo als knuppel om de linkse regering van de marxistische Frelimo-partij te destabiliseren en om Mozambique te weerhouden van actieve steun aan het ANC. Inmiddels is Frelimo niet marxistisch meer, Zuid-Afrika verandert snel en in Rome vonden dit jaar twee gesprekrondes plaats tussen Renamo en Frelimo. Het vredesproces komt heel voorzichtig op gang. Maar de terreur gaat onverminderd door. De laatste weken neemt de strijd zelfs weer in hevigheid toe en tienduizenden vluchtelingen trekken naar de buurlanden.

De oude vrouw Franivha is slachtoffer van de nieuwe gevechten. 'De mtsanga's kwamen vorige week maandag om twee uur 's-nachts', vertelt ze in het dorpje Bengo. (Plaatselijk noemt men de Renamo-rebellen mtsanga's.) 'We hadden net voedselhulp ontvangen van de regering. De mtsanga's drongen ons huis binnen en trokken de dekens van onze bedden. De Renamo-strijders zijn jonge onbesneden jongens. We sloegen op de vlucht. Toen we de volgende ochtend terugkwamen om te zoeken naar onze spullen, troffen we de lijken aan.'

'Het is moeilijk voor ons om te begrijpen wat Renamo wil', vervolgt ze, 'want ze nemen al onze spullen en kleren af en laten ons naakt achter. Dat doe je nog niet met lijken'. Wat gaat ze nu doen? 'Of ik nu hier sterf of in mijn geboortedorp, het maakt me niets meer uit', antwoordt ze met emotieloze stem.

Haar 25-jarige dochter Jacinta probeert haar moed in te spreken. 'Moeder, ik wil een stuk land om te bewerken en zal dan voor je zorgen', zegt ze op een toon die opgewekt moet klinken. Haar smerige zoontje wordt belaagd door vliegen. Hij zuigt aan een lange stroom snot, als alternatief voor de uitgedroogde borsten van zijn moeder. Naast het jochie zitten nog twee kindjes die Jacinta adopteerde nadat hun ouders bij de aanval door Renamo-strijders waren gedood.

Verleden terugbrengen

De 55-jarige Teresa verbleef vier jaar in een Renamo-kamp in de centrale Gorangoza-bergen, waar de rebellen hun bolwerk vestigden. 'We moesten voedsel voor ze verbouwen', vertelt ze. 'Als de oogst slecht uitviel, sloegen ze ons. We dienden de helft van de gewassen af te staan. Twee van mijn kinderen slaagden erin te ontsnappen, waarna ze mijn man als straf vijf maanden lang in een diepe kuil opsloten. Hij werd geslagen, dagenlang. Het merendeel van de Renamo-strijders bestaat uit jongeren en enkelen zijn zo grijs als ik.'

Praatte ze met de rebellen? 'Als ze ons bier dronken, dan bleken ze aardig. Ja, soms voegden ze zich zelfs bij onze kerkdiensten. Maar ze vragen waarom ze vechten, nee dat durfden we niet. Op een bijeenkomst vertelden ze ons dat ze het verleden willen terugbrengen, toen je voor 50 meticais nog alles kon kopen.'

Armando Matengafe zag in 1982 zijn dorp in vlammen opgaan tijdens een Renamo-aanval. Onder dwang vestigde hij zich daarna in een gebied gecontroleerd door de rebellen. Ook daar bleek hij niet veilig. 'Ze komen naar je huis, richten een geweer op je en zeggen: we hebben je hulp nodig. Dan nemen ze onze jongeren mee die we vervolgens nooit meer terug zien', vertelt hij in het dorpje Nhambanda.

Hij wrijft over zijn pijnlijke been. Vorige week wist hij te ontsnappen, nadat de rebellen hem hadden beschuldigd van spionage voor Frelimo en hem dagenlang hadden gemarteld. 'Ze vertelden ons overal mensen te hebben gedood en dat de wijde omtrek was verlaten. Daarom trokken we er nooit weg. Waar Renamo voor vecht, ik weet het nog steeds niet senor. Ja, ze willen het gebied besturen. Maar hoe kan je het land besturen als het leeg is? Ik heb nooit iemand vrijwillig bij Renamo zien gaan.'

Zijn vrouw Sairina zit uit een jutezak een broekje te naaien voor de blote billen van haar achtjarige kind. 'In het begin bestond er wel enige sympathie voor de mtsanga's', erkent ze, 'ze verkondigden dat de oorlog nog slechts een jaar zou duren en dan zouden we onze spullen terugkrijgen. Toen dat niet gebeurde begonnen we ceremonies te organiseren. We dansten en zongen: laat de apen wegblijven. De mtsanga's reageerden woedend. Ze begaven zich naar onze stamhoofden en geboden hen de ceremonies te stoppen. Anders zouden ze wraak nemen.'

Sairina richt beschaamd het hoofd van haar man af wanneer haar wordt gevraagd naar de behandeling van vrouwen in Renamo-kampen. Daar kan ze niet over praten. Haar echtgenoot lacht zenuwachtig en zegt: 'Ik ontwaak nog steeds midden in de nacht met angst over mijn hele lichaam. Ik wil nog slechts een ding in mijn leven: een dak boven mijn hoofd en veiligheid en voedsel voor mijn familie. Dan ben ik tevreden.'

Terreur

Niets en niemand is ontzien door de terreur in Mozambique. Kogelgaten zitten in ziekenhuizen, scholen en fabrieken. De tienjarige Tito Manuel verloor zijn moeder door een landmijn, zijn vader kwam om bij een aanval op zijn dorp. In het weeshuis in de provincie Manica bleef de jongen niet gespaard voor nieuw geweld. 'Er klonk geschreeuw en geweervuur in de nacht en de mtsanga's arriveerden', herinnert hij zich. 'Ik kroop onder mijn bed, maar ze sleurden me er weg en begonnen me te slaan. Ze dreven alle kinderen bijeen en we moesten uren lopen naar hun kamp. Daar kreeg ik maispap. Het was donker en ze pakten mijn deken af.'

Drie jaar lang verbleef Tito in de Renamo-basis. Wat was het leukste tijdens die tijd? 'De mango's en de bananen', antwoordt hij. En het slechtste? 'Het schieten en het slaan.' Hij denkt even na en probeert het kippevel van zijn benen te wrijven. 'En ik mis mijn vriendje, hij moest voor de mtsanga's gaan vechten'. Zimbabweaanse troepen bevrijdden Tito en nu verblijft hij opnieuw in een weeshuis, bij Chimoio in een onderkomen van de Noorse hulporganisatie voor kinderen Redd Barna.

Wat houdt de Renamo-soldaten gaande, hoe kunnen 20.000 rebellen miljoenen Mozambikanen gijzelen? 'Uit gesprekken met voormalige Renamo-strijders is me gebleken dat de recruten in eerste instantie waren gedwongen', vertelt een Mozambikaanse hulpwerker van een particuliere organisatie. Hij voerde uitgebreid gesprekken met ex-Renamo-strijders en met hun slachtoffers.

'Na enkele maanden hebben ze zoveel misdaden begaan, waarna het moeilijk voor hen wordt om naar hun geboortestreek terug te keren. Tegelijkertijd breekt het moment aan dat ze zich gaan afvragen of ze willen doorgaan met het moorden. Renamo-leiders vertellen hen dan dat Frelimo intussen hun familie heeft uitgemoord. Zo ontwikkelen ze wraakgevoelens. Vervolgens gaan sommigen drugs gebruiken tijdens militaire operaties, om de pijn te verzachten en om moed te vergaren. Op deze wijze komt het voetvolk van Renamo tot deze misdaden, zo werkt de psychologische oorlogsvoering in Mozambique.'