VPRO-Cinema hobbelt achter Marco Muller aan

Nadat de liefdesrelatie tussen de VPRO en het Filmfestival Rotterdam door wijlen Huub Bals in de nasleep van een mislukte Rotterdamse talkshow van Adriaan van Dis hardvochtig verbroken was, bloeit er nu weer iets moois op tussen beide instanties. In nauwe samenwerking met de huidige directeur van het Filmfestival, Marco Muller, zijn er 'een viertal VPRO-Cinema specials gepland waarin de stand van zaken in de internationale cinema wordt belicht'. In de praktijk betekent dit dat de VPRO achter Muller aanhobbelt, soms zelfs letterlijk, bij voorbeeld tijdens het laatste festival van Venetie, toen een cameraploeg tot hilariteit van de omstanders opnamen ensceneerde van de maestro in gesprek met filmmakers ter gelegenheid van een in januari uit te zenden portret.

De eerste special bestaat uit de uitzending van Aleksej Germans meesterwerk Mijn vriend Ivan Lapsjin (1982), voorafgegaan door een documentaire van Frank Wiering over de Lenfilm-studio, getiteld Hollywood aan de Neva. Zoals ook te lezen valt in het boekje Lenfilm en de bevrijding van de Sovjetcinema een aflevering uit de Tijgerreeks, 'geproduceerd in een nauwe samenwerking tussen het Filmfestival Rotterdam, de filmdistributeur International Art Film en VPRO-Cinema', beschikt de studio in Leningrad niet alleen over een rijke historie, maar herbergt thans ook enkele zeer interessante filmers, met name German en Aleksander Sokoerov. Wie hun werk nog niet kent, kan natuurlijk de uitzendingen door de VPRO van Lapsjin en Sokoerovs Dagen van duisternis (4 november) bekijken, of eventueel dezelfde dag om 12 uur 's middags de projectie in De Uitkijk te Amsterdam bezoeken, in het kader van de VPRO-Cinema-Club. Maar de documentaire Hollywood aan de Neva bevat weinig informatie over of affiniteit met het werk van Sokoerov of German. Beiden worden geinterviewd en doen enkele aardige uitspraken. Sokoerov vertelt hoe hij jarenlang geschaduwd en anderszins lastig gevallen werd door de KGB. Zijn leermeester Andrej Tarkovski had een visum voor hem geregeld, maar Sokoerov zag op het laatste moment van emigratie af, omdat zijn ziel nu eenmaal in de Russische aarde wortelt. Een mevrouw die veel van Sokoerovs films monteerde, roemt hem vervolgens niet alleen om zijn talent, maar vooral ook om zijn kwaliteiten als mens en christen, die haar als vrouw bijzonder aanspreken.

De onvoorbereide toeschouwer die Sokoerovs onnavolgbare Madame Bovary en Dagen van duisternis nooit gezien heeft, ontwaart alleen een gekwelde kwiebus, die het vraaggesprek steeds door andere afspraken laat onderbreken. German is een toegankelijker cineast en vlottere prater: 'Als een Zwitser uit zijn raam kijkt, ziet hij mensen die misschien skien en waarschijnlijk heel gelukkig zijn, maar waarover moeilijk een interessante film te maken valt. Bij ons ligt dat anders: waar ellende is, ontstaat kunst.' In een gesprek met een van de jonge cineasten die hij begeleidt in zijn 'Werkplaats voor de Eerste Film' licht German toe dat poezie per definitie onnozel is. Glasnost en perestrojka zijn, volgens German, opnieuw onderdeel van de officiele overheidspolitiek, gepropageerd door dezelfde goochemerds, die vroeger het socialistisch-realisme propageerden. Sinds de bevrijding van zijn verboden films heeft German niet meer geregisseerd. Waarom dat heel jammer is, en wat zijn werk zo bijzonder maakt, daarover zwijgt Wierings documentaire in alle toonaarden. De enige filmfragmenten in beeld zijn slecht te ontwaren en komen uit Pantser van Igor Alimpijev (Westeuropese premiere op het komende Filmfestival Rotterdam). Wiering begint niet eens aan een analyse, of zelfs maar de mededeling dat diezelfde regisseur eerder een prachtige documentaire over Nikolaj Goemiljov maakte (Afrikaanse jacht).

Wat resteert is een impressionistisch portret van een Russische filmstudio, die zo te zien met elastiekjes en paperclips bij elkaar gehouden wordt, en waar allerlei mensen druk in en uit lopen, maar die zich net zo goed in Riga of Tasjkent zou kunnen bevinden. Aan cameraman Deen van der Zaken is het wel toevertrouwd om er een mooi item in de trant van Diogenes van te maken, maar bij dat programma wordt de inhoudelijke kant wel degelijk voorbereid door een eindredacteur met verstand van buitenlandse politiek.

'De VPRO zal dit jaar voor het eerst sinds lange tijd proberen wat substantieler aandacht te besteden aan film', meldt het VPRO-persbericht. Als met de overtreffende trap gedoeld wordt op de filmprogramma's van andere omroepen, dan is die opdracht niet zo moeilijk. Maar het door de internationale filmwereld reizen met een boodschappenlijstje van Marco Muller op zak garandeert nog geen 'substantie'.