Vijf lezingen op Haags symposium over 'De kunst van hetverzamelen'; Nederland hield steeds uitverkoop

's GRAVENHAGE, 27 okt. Geld, smaak en een gunstig cultureel en fiscaal klimaat, dat zijn de minimumvoorwaarden voor een gezonde verzamelcultuur. Dat het aan de combinatie van deze factoren in Nederland schort, bleek gisteren op een symposium in de aula van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) onder de titel 'De Kunst van het verzamelen'.

De aanleiding was de tentoonstelling Hollandse meesters uit Amerika, in het Mauritshuis waar immers een sterk accent ligt op de oorspronkelijke verzamelaars van de geexposeerde werken. Dit museum was dan ook samen met het RKD en ministerie van WVC de organisator van het symposium. Het toeval wil dat deze bijeenkomst plaatsvond twee dagen na een congres van de Nederlandse museumvereniging waar het onderwerp juist was: conserveren en restaureren. Beide taken van het museum, conserveren en aankopen hebben nogal eens te lijden onder de derde veel meer aandachttrekkende taak van musea, namelijk exposeren.

De vijf lezingen, gehouden door vakmensen uit de museumwereld, de universiteit, het veilingwezen en de kunsthandel maakten twee zaken duidelijk. In Nederland zijn vanaf de zeventiende eeuw tot halverwege de twintigste eeuw zeer veel verzamelaars geweest, maar van vrijwel allen zijn hun moeizaam opgebouwde collecties na het overlijden verkocht. Nederland heeft weliswaar zeer veel kunst geproduceerd, maar heeft ook continu uitverkoop gehouden. Een recente wet op cultuurbehoud oefent daar slechts een lichte en selectieve rem op uit.

De tweede vaststelling betreft de huidige verzamelaars in Nederland. Als ze er al zijn, dan staan ze evenals de musea machteloos tegenover de exorbitante prijzen die de grote meesters opbrengen en ze zijn geen partij voor de beslissende kopers die met beleggersoverwegingen toeslaan. De hoge prijzen worden veroorzaakt door een overvloed aan kapitaal dat op een krappe markt wordt losgelaten. Na Amerika is het alweer enkele jaren Japan waar de grootste kopers vandaan komen. Impressionisten en Van Gogh haalden daarbij moeiteloos de voorpagina's. En al vertoont er zich nu een lichte prijsdaling, toch kunnen de Nederlandse musea er niet tegen op als het om topstukken gaat.

Wel is gebleken dat belangrijke Nederlandse musea door kalm en weloverwogen te speuren en door waar mogelijk fondsen te werven toch hun collecties mondjesmaat kunnen verrijken. Zij hebben als het om oude meesters gaat daarbij weinig concurrentie te duchten van particuliere Nederlandse verzamelaars, want die zijn er vrijwel niet. Veilingmeester J. P. Glerum schat dat er slechts een handjevol verzamelaars van zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst in ons land bestaat. De verzamelaars van hedendaagse kunst vertonen te zamen een veel gunstiger beeld. Op pregnante wijze schilderde geleerden de oorzaken van die schriele verzamellust op het gebied van oude kunst. De Nederlandse huizen zijn er niet op ingericht; zij hebben 'te weinig muur'. En men schrikt snel terug van de rompslomp, die verzekeringen en beveiligingen met zich meebrengen. Mij lijkt dat voor de ware verzamelaar geen bezwaar, die koopt of bouwt wel een passend huis. Zwaarwegender zijn twee andere redenen. Het sociale en fiscale klimaat zijn ongunstig voor verzamelaars. Geld uitgeven aan kunst blijft hier ter lande eigenaardig. Een auto, een villa, een vakantie, daar trekt men moeiteloos kapitalen voor uit, maar voor kunst, nee, dat ligt toch meer op het terrein van de aanstellerij. Daar komt bij dat de fiscale regelingen ten aanzien van kunstbezit en ten aanzien van het schenken van kunst bepaald ongunstig zijn. Dit werd volledig beaamd door een van de leden van het forum dat na de inleidingen aan het woord kwam: J. R. Ritman, een van de weinige particuliere verzamelaars van zeventiende-eeuwse kunst die Nederland rijk is. Het fiscale klimaat wekt hier niets anders op dan 'aversie en agressie', vindt Ritman. Het is hoopvol dat deze gedreven collectionneur doorgaat met zijn Bibliotheca en Hermeneutica en zijn collectie zeventiende-eeuwse kunst. Mogelijk zet hij ook anderen aan. De musea zullen meer dan ooit intensief op de markt naar de kleine meesters zoeken en toeslaan waar het nog mogelijk is.