OORLOG ALS KUNSTWERK

Hoera, het is oorlog! Op die zomerse zaterdag in augustus 1914 was Berlijn vol met jubelende, juichende en zingende mensen. ' Et jeht los!' klonk van alle kanten de plaatselijke variant van ' Es geht los'. Het was enige uren nadat de Duitse ambassadeur de oorlogsverklaring had overhandigd aan de Russische minister van buitenlandse zaken.

Voor veel Duitsers betekende het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een opstand tegen de suffe, ingeslapen burgerlijke mentaliteit van het fin de siecle. De Duitse natie beleefde die dag in augustus een Schicksalsstunde, een beslissend moment in zijn geschiedenis. Een van de vele overigens, als men allerlei Duitse denkers mag geloven die in Schicksalstunden pleegden te grossieren. Maar op deze dag in augustus 1914 leek het moment aangebroken dat de oude partijen en klassen zouden opgaan in een hogere geestelijke synthese. In het vlees en bloed van de soldaten trok de Duitse Geist ten strijde: ' Denn am deutschen Wesen soll die Welt genesen!'

De Canadese historicus Modris Eksteins wil in zijn boek Rites of Spring, dat zojuist in Nederlandse vertaling verscheen als Lenteriten, de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog beschrijven in het bredere culturele perspectief van de strijd van het 'moderne' tegen het 'oude'. De titel van zijn boek ontleent hij aan de Engelse titel van Strawinsky's ballet Le sacre du printemps, dat op 29 mei 1913 in Parijs zijn premiere beleefde in een uitvoering van Diaghilevs 'Ballet Russe'. Het was een van de meest geruchtmakende provocaties van het modernisme, een stroming waartoe onder meer het dadaisme, surrealisme, kubisme en functionalisme worden gerekend. Eksteins weeft al deze zaken, alsmede het nazisme van de jaren dertig, samen met de modder en het bloed van Vlaanderen en Verdun tot een alomvattende interpretatie van de eerste helft van onze eeuw.

DODENDANS

Le sacre du printemps was een scherpe samenvatting van het modernistisch bewustzijn: scheppen door vernietigen. Het verbeeldde op orgiastisch-nihilistische wijze de scheppende levenskracht van de lente en van de sacrale opoffering van het leven in een dodendans. Strawinsky had zich laten inspireren door het 'heidense' Rusland. Geboorte en dood, eros en thanatos, rudimentair vitalisme, dat waren zijn thema's. Het ballet was, evenals het modernisme, een uitdaging aan de gevestigde culturele normen. Een morele boodschap was er niet; het ballet belichaamde niets meer dan energie, uitbundigheid en ondergang. Afgezien van enkele flarden van Russische volksmelodieen, ontbrak het in de muziek aan ornament en melodie. De gangbare wetten van harmonie en ritme leken vergeten. Het geweld, de dissonanten, de schijnbare kakofonie van honderdtwintig instrumenten met veel slagwerk, gaven het geheel een energetisch en primitief karakter. Ook de choreografie was een oorlogsverklaring aan de gevestigde vormen. Geen gratie, geen harmonie en schoonheid, niet de vloeiende beweging van de klassieke dans, maar discontinuiteit en asymmetrie. Het publiek kon een en ander niet bijster waarderen. De zaal veranderde al na enkele maten in een slagveld. ' Verfijnde hottentotten-muziek, ' oordeelde een criticus. Voor velen was dit 'le massacre du printemps', zoals wel spottend werd opgemerkt.

Het werkelijke bloedbad vond enige tijd later plaats in de loopgraven waar men zingend onder de augustuszon naar toe was getogen. Eksteins ziet de oorlog als een 'cultureel evenement'. Hij betoogt dat aan Duitse zijde de inzet van de oorlog uiteindelijk vooral geestelijk was: een afrekening met vulgair materialisme en banale conventies, die men vooral met het burgerlijk Engeland associeerde. Hij trekt hier een parallel met het modernisme, dat ook een afrekening wilde zijn. Duitsland vormde, in eigen ogen, de avant-garde van de nieuwe tijd, en leverde de stormtroepen om af te rekenen met de oude wereld.

Het landschap van de Eerste Wereldoorlog was dat van een geschonden gezicht. Bomen waren tot stompen afgeschoten. Prikkeldraad en loopgraven vormden de penseelstreken die door een waanzinnige schilder op zijn bizarre schilderij waren gesmeten. Een Franse piloot omschreef het landschap bij Verdun als de vochtige huid van een schildpad. De loopgravenoorlog was van bovenaf gezien een gevecht van troglodieten en amfibieen.

LEDEMATEN

Het niemandsland tussen de strepen op dit surrealistische schilderij was omgeploegd door granaatvuur. Het geluid van de artilleriebombardementen was een nieuwe anti-muziek. Eksteins heeft het over 'Battle Ballet', als hij vertelt dat in het niemandsland ledematen en torso's steeds weer werden opgeworpen door de granaten. Soms kwamen ze ook in de zandzakken terecht die voor borstweringen werden gebruikt. Het verhaal gaat dat in Ieperen afgeloste soldaten de hand schudden van een arm die uit de borstwering stak: ' Tata Jack!' Het was een absurde oorlog.

De rijen soldaten met gasmaskers hadden hun hun menselijkheid al verloren: lange snuiten, grote glazen ogen en langzame bewegingen maakten hen tot fantasiefiguren. Met hun geometrische vormen leken ze meer op de creaties van Picasso en Braque dan op soldaten. Het was een kubistische oorlog.

Eksteins merkt op dat het telkens de Duitsers waren die met nieuwe strijdmiddelen kwamen. Zij waren het die gas introduceerden. Zij kwamen met de vlammenwerper. Zij waren het die de oorlog ook onder water voerden, met hun U-boten. In die zin waren de Duitsers in hun oorlogsvoering 'modernistisch' en verwierpen zij oude codes. De Eerste Wereldoorlog was een totale oorlog, die even diepe sporen in het culturele en politieke landschap van Europa achterliet als op de velden van Vlaanderen.

NIETZSCHE

Berlijn, 30 januari 1933. Bruinhemden doken op uit het donker van de Tiergarten, marcheerden onder de Brandenburger poort door en vormden een fakkeloptocht om de benoeming van Hitler tot rijkskanselier te vieren. Muziekkorpsen, gezang en gebonk van laarzen: steeds nieuwe golven welden op uit de Tiergarten en stroomden langs een enthousiaste menigte. ' Duitsland is ontwaakt!' schreef Goebbels in zijn dagboek.

Voor veel van Hitlers volgelingen stond het vast: het nationaal-socialisme was alleen te begrijpen voor hen die Fronterlebnis van de Eerste Wereldoorlog hadden. Het ging in de jaren dertig (weer) om het Idee, om de dynamiek van het leven in de oorlog en om de vernietiging van alles wat in de weg stond: materialisme, traditionele burgerlijke slavenmoraal, besluiteloosheid. De oproep van Nietzsche om 'gevaarlijk te leven' werd het gebod van het nazisme. Dat betekende: ingaan tegen de gevestigde morele codes, nooit de status quo aanvaarden, voortdurend de tegenstander provoceren, streven naar vernietiging.

Het thema van de dood speelde een grote rol in de verbeeldingswereld van de nazi's. Veel van hun lithurgische bijeenkomsten vonden 's avonds plaats, met toortsen en brandstapels in Berlijn en pilaren van licht op het paradeplein van Neurenberg. Eksteins ziet het nationaal-socialisme, in al zijn gedeformeerdheid, als een 'progressieve' beweging. Het was volgens hem in de eerste plaats de apotheose van een idealisme dat alle grenzen van de werkelijkheid overschreed en dat zich niet stoorde aan conventies. Het vitalisme, het heroisme en de erotische geladenheid van het nazisme trok randfiguren evenzeer als kunstenaars en intellectuelen aan. Het was een experiment dat, net zoals eerdere avant-garde bewegingen, het leven in een overmoedige greep wilde omhelzen. Het nationaal-socialisme was zo een opstand tegen de bourgeois-steriliteit, een herwaardering van alle waarden. Het wilde een nieuwe orde en een nieuwe mens. Scheppen door vernietigen, dat was de boodschap. Nog in 1945 schreef Goebbels dat onder de puinhopen van Duitsland alles wat oud was en versleten, werd begraven. Nu kwam er ruimte voor een nieuw Europa.

PROVOCATIE

Lenteriten is een intrigerend boek. Enerzijds is het een werk van een visionair die blind is voor andere verklaringen dan de zijne. Eksteins sluit welbewust de ogen voor het feit dat de Eerste Wereldoorlog en het nazisme ook andere oorzaken hebben dan alleen ideele, dat het nazisme ook anders dan 'progressief' kan worden uitgelegd. Zelfs het simpele gegeven dat de nazi's het modernisme als 'ontaarde kunst' beschouwden, komt nauwelijks ter sprake. Eksteins is gevallen voor de verleiding van zijn eigen metaforen. Zijn interpretatie is gewrongen en eenzijdig.

Anderzijds weet hij in Lenteriten onverwachte verbanden te leggen tussen esthetiek en oorlog, tussen de avant-garde van kunstenaars en de stormtroepen van Hitler. Zijn boek wil een schokervaring zijn, een provocatie. Het is een suggestief werk dat de moeite van het lezen waard is.

Want de verknoping van kunst en oorlog, van schepping en vernietiging is onmiskenbaar een centraal gegeven in de geboorte van de moderne tijd. Zo gaat over Picasso het verhaal Eksteins vermeldt het overigens niet dat hij tijdens de Duitse bezetting in zijn atelier in Parijs zat te werken toen plotseling een Duitse SS-officier binnen kwam. Picasso bleef doorschilderen terwijl de officier ontsteld naar zijn doeken keek. ' Wie heeft al die afschuwelijke schilderijen gemaakt?' wilde hij weten. Picasso keerde zich langzaam om en zei: ' Dat hebben jullie gedaan.'