Ongeluk

Op woensdag 19 juli vorig jaar belde de Amsterdamse advocaat mr. P. Huisman met het Openbaar Ministerie. Of er belangstelling was voor Paula Oppem (40) en Herman Weezenbeek (23), beiden afkomstig uit Rotterdam. Het tweetal had zich enige dagen eerder gemeld bij de advocaat met de vraag of het advocatenkantoor 'ook ongelukken deed'. Justitie had inderdaad grote belangstelling voor de clienten van Huisman en zijn kantoorgenote mr. B. L. M. Ficq. Beide Rotterdammers werden gezocht in verband met de dood van Robert Demey (55) en Rachel Debroux (33), een week eerder.

Vandaag staan Oppem en Weezenbeek terecht voor de meervoudige strafkamer in Rotterdam, beschuldigd van de moord op Demey. De spelers hebben hun klassieke plaatsen in genomen: achter de verdachten zitten hun raadslieden, in de neoclassistische zaal de wraakzuchtige familieleden van het slachtoffer Demey, dicht bij elkaar op het hoge podium zitten rechters en officier van justitie, aan de muur hangt koningin Beatrix en op het dak staat Vrouwe Justitia, uitkijkend over de Noordersingel.

Herman Weezenbeek is lang, zijn opgeschoren haar is zwart. Hij staat in slobbertrui en spijkerbroek achter 'het hekje', dat hier meer weg heeft van een houten schutting. Paula Oppem naast hem, met blond piekhaar, is tenger, wat gebogen. Hun gezichten zijn bleek en strak.

Fungerend rechtbankpresident mevrouw mr. R. C. Lensink-Bosman onderzoekt aan de hand van de dossiers wat er op woensdag 12 juli 1989 is gebeurd in de flat van Demey. Vast komt te staan dat er tussen Herman Weezenbeek, Paula Oppem en Rachel Debroux een driehoeksrelatie bestond. Rachel was Israelische, en zonder verblijfsvergunning in Nederland. Een wettige verblijfstitel wilde zij krijgen door een schijnhuwelijk te sluiten met Robert Demey. ' Demey wilde echter meer dan een schijnhuwelijk', leest Lensink. Tijdens een ruzie hierover zou Rachel Robert Demey op zijn hoofd hebben geslagen en gewurgd.

Vervolgens belde ze haar vriendin Paula om haar te helpen met het wegwerken van het lijk. Samen verpakten zij het stoffelijk overschot van Demey in een verhuisdoos. Met een geleend steekwagentje werd de doos over de galerij van de flat getransporteerd naar het trappenhuis. ' Hoe hebt u hem met z'n tweeen de trap afgekregen. Meneer Demey moet zo'n tachtig kilo gewogen hebben', vraagt Lensink.

' Hij woog vijfentachtig kilo. Het ging met horten en stoten. Het was afschuwelijk', zegt Oppem.

De doos werd in de Citroen BX van het slachtoffer geladen en overgebracht naar het huis van Herman Weezenbeek, die op dat moment de hond naar het asiel aan het brengen was. Bij zijn thuiskomst stond een ding voor hem vast: ' Die doos moest het huis uit', zegt hij.

Hij kocht een schop en reed rond tot hij op de Maasvlakte uitkwam. Daar groef hij een gat (' Een niet kinderachtig graf', zoals zijn raadsman later opmerkt). Herman keerde terug bij zijn vriendinnen. Het drietal ging uit eten. Betaald werd met een cheque van de overledene. Daarna, toen het donker was geworden, vertrokken Herman en Rachel met de bedoeling de doos met daarin Demey naar het gat op de Maasvlakte te brengen. Debroux vroeg Weezenbeek echter eerst nog langs de flat van Demey te rijden. Hij zegt niet te weten waarom zij dat toen wilde.

Bij de flat stapte Rachel uit, Herman wachtte bij de auto. Na enige tijd hoorde hij een vrouw schreeuwen: ' Brand!' Hij zag een vuurgloed komen uit de flat van Demey en Rachel die zelf brandend kwam aanrennen. Hij doofde de vlammen en bracht haar naar het Dijkzigt ziekenhuis. Daarna reed hij door en begroef Demey. Rachel bleek later aan haar brandwonden overleden.

Twee dagen hierna, op vrijdag 14 juli, belde Paula Oppem de Haagse autohandelaar Stockel met de mededeling dat hij een grijze Citroen BX compleet met sleutels en papieren kon ophalen op een bepaalde plek in Rotterdam. Herman en Paula vertrokken naar Edam, vanwaar zij op 17 juli contact zochten met de advocaten Ficq en Huisman.

De officier in zijn requisitoir, de advocaten in hun pleidooien, de rechters; allen komen bijvoeglijk naamwoorden te kort om de gebeurtenissen te karakteriseren. Officier van justitie mr. G. L. Bouman spreekt van een 'weerzinwekkende nachtmerrie' en 'een soort horrorachtige tragedie'. De verdachten zijn 'bikkelhard' en hebben 'een geraffineerde meedogenloosheid'. Ficq en Huisman houden het erop dat hun clienten niet meedogenloos zijn maar 'beheerst werden door een volstrekte radeloosheid' omdat zij terecht waren gekomen in een 'Kafakaiaans drama'. Rechter Lensink heeft het over 'deze zeer trieste geschiedenis'.

Het Openbaar Ministerie had genoeg redenen om het verhaal van Weesenbeek en Oppem grondig te controleren. Ficq: ' Wat is immers makkelijker een dode een moord in de schoenen te schuiven.' Justitie heeft tijdens dagenlange ondervraging van Oppem steeds geprobeerd haar te laten bekennen dat zij samen met Rachel Debroux Demey heeft vermoord. Dat er tevoren een weloverwogen plan is geweest. Ook Weesenbeek is onder druk gezet om een dergelijke bekentenis af te leggen. Twee rechercheurs zijn daarbij op een gegeven moment zo ver gegaan dat zij na een klacht van advocaat Huisman van hun taak zijn ontheven. Tijdens een korte pauze in de verhoren, hadden zij Weesenbeek geconfronteerd met het verhaal dat Rachel ooit door haar vroegere vriend Jona met een stok was geaborteerd. ' Herman was daarna emotioneel volstrekt een wrak', zegt Huisman.

Het onderzoek van justitie naar de betrokkenheid van Weesenbeek en Oppem bij de moord op Demey heeft niet meer opgeleverd dan een paar vage aanwijzingen. Daar is de verklaring van de autohandelaar Stockel en zijn vriendin, die hebben gezegd dat Paula Oppem reeds op dinsdag 11 juli (de avond voor de dood van Demey) belde over een auto die zij wilde verkopen. Betekent dat niet dat er een plan was om Demey te doden? En waarom bracht Herman de hond op 12 juli naar het asiel: was dat niet in verband met de plannen om na de moord te vluchten? Waarom pakten de vrouwen behalve Demey ook allerlei persoonlijke, soms waardevolle spullen, in? Was er niet eenvoudig sprake van een roofmoord?

Lensink staat uitgebreid bij dergelijke kwesties stil. Paula Oppem zegt dat zij Stockel de avond voor de moord bij toeval belde. Bij Stockel ruilde zij wel vaker haar auto's in. Haar hond moest eenvoudig naar het asiel nadat hij op een paar nieuwe schoenen had geplast en die persoonlijke spullen van Robert Dewey hadden ze zonder nadenken ingepakt. ' Dat ging automatisch.'

In haar presentatie van de feiten laat de rechter regelmatig blijken wat haar mening is over het gebeurde en over de verdachten. ' U bent niet alleen gaan eten. Maar ook nog op kosten van wijlen meneer Demey. U heeft betaald met een van zijn girobetaalkaarten, hoe cynisch dat ook klinkt.' Na de dood van Demey en Debroux zijn de twee verdachten in de woorden van de rechter ' ondergedoken'. ' We zijn weggegaan', corrigeert Herman Weesenbeek.

Een andere rechter van de drieschaar windt al helemaal geen doekjes om zijn gebrek aan onbevangenheid: ' Ik ben verbijsterd. U heeft beide dingen gedaan waardoor sporen zijn weggemaakt voor justitieel onderzoek.'

Beide verdachten hebben anderhalf jaar geweigerd mee te werken aan de gebruikelijke rapportages door de reclassering, psychologen of andere deskundigen. Zij vinden dat zij, die vrijwillig naar justitie zijn gegaan, ten onrechte beschuldigd worden van het allerzwaarste delict. De advocaten overleggen geen pleitnotities, maar pleiten vanaf met de hand volgekrabbelde papieren. Het lijkt of rechter Lensink door deze afwijkingen van het gebruikelijke geirriteerd is. Als advocate Ficq bezig is met haar pleidooi, leest Lensink in allerlei papieren. Een demonstratie van minachting voor de verdediging.

Officier van justitie Bouman kan niet meer bewijzen dan dat Weesenbeek en Oppem betrokken waren bij het ' onttrekken van een lijk aan de naspeuringen van de politie' en bij het stelen, helen of verduisteren van een auto. Zijn requisitoir, dat bol staat met onbewezen verdachtmakingen (zelf spreekt hij van 'witte plekken'), mondt uit in een eis van 18 maanden gevangenisstraf. Waarom de beide verdachten moord ten laste is gelegd, blijft duister.

Uitspraak 8 november. De advocaten bepleiten voor beide clienten schuldigverklaring zonder straf, of een gevangenisstraf gelijk aan de veertig dagen die de verdachten in voorarrest hebben doorgebracht. Huisman bepleit voor zijn client Weesenbeek primair niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie: de zaak tegen Weesenbeek had geseponeerd moeten worden op grond van het feit dat de verdachte reeds zoveel leed heeft doorstaan dat Justitie niet kan overgaan tot toebrenging van meer leed.

Paula Oppem loopt in haar laatste woord al snel vast in een huilbui. Weesenbeek ziet af van zijn laatste woord. ' Daartoe is hij niet in staat', zegt zijn advocaat. ' Ach, die arme meneer Weesenbeek', sneert een stem door de zaal. Het blijkt de broer van het slachtoffer Demey. Rechter Lensink maant de publieke tribune tot stilte en bepaalt dat de rechtbank op 8 november uitspraak zal doen.

Weesenbeek en Oppem roken na afloop nog een sigaret met hun raadslieden. Buiten, in de regen voor de rechtbank, hangen een paar stevige mannen rond, onder wie de broer van Demey.

(De namen van betrokkenen zijn gewijzigd).

    • Frank Vermeulen
    • de Rechtszaak