MYTHE VAN BRABANTIA NOSTRA DOORGEPRIKT

Vormde het handjevol leden van Brabantia Nostra een suspect groepje fascistisch georienteerde intellectuelen dat sympathie koesterde voor de nationaal-socialistische bloed- en bodemtheorie? De journalist Jan Rogier lanceerde in 1980 deze bewering in zijn boek Een zondagskind in de politiek en andere christenen. De VU-historicus G. R. Zondergeld deed dat in 1987 op een congres nog eens dunnetjes over: een katholieke en semi-fascistische beweging, zo luidde zijn oordeel.

Brabantia Nostra was een vereniging die ijverde voor behoud en verspreiding van oude Brabantse culturele waarden en tradities. Een korte gang door de literatuur leert dat er genoeg bewijzen zijn van de rechts-conservatieve instelling van leden van deze 'Brabant aan ons'-beweging. Zo memoreert A. A. de Jonge in zijn proefschrift Crisis en critiek der democratie (1968) het kortstondige redactielidmaatschap van de geestelijk leidsman ('moderator') dr. P. C. de Brouwer, eind 1922, van het conservatief katholieke, later anti-democratische Katholieke Staatkunde van dr. Emiele Verviers. L. de Jong wijst in deel 4 van zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (1972) op ' deze merkwaardige, ietwat overspannen groepering waarin specifiek katholieke denkbeelden over een organische herstructurering van de maatschappij sterk naar voren kwamen'. Verschillende vooraanstaande leden hadden volgens De Jong contact met Zwart (later Nationaal) Front van Arnold Meijer en met Verdinaso-Nederland van Joris van Severen. In zijn dissertatie Zwart en Nationaal Front (1986) stelt H. Schippers dat de leiding van Brabantia Nostra in ruime mate met Meijers ideologie kon instemmen en dat er voor zijn persoon grote waardering bestond.

ARGUSOGEN

In zijn onlangs aan de Katholieke Universiteit Nijmegen verdedigde dissertatie rekent Jan van Oudheusden af met ongefundeerde vingerwijzingen als zou Brabantia Nostra een fascistoide organisatie zijn. Hij doet dat op basis van overtuigend bronnenmateriaal. Wel wordt het beeld bevestigt dat in de literatuur over individuele leidinggevende personen van Brabantia Nostra bestaat. Het ideeengoed van rechts-autoritaire bewegingen ondervond op zijn minst sympathie bij deze en gene. Zo was een van de oprichters van Brabantia Nostra tot 1938 lid van Verdinaso. Van Oudheusden wijst verder op contacten tussen Nationaal Front en Brabantia Nostra, die blijkbaar ook weer zo oppervlakkig waren dat zij werden verbroken toen enkele Brabantse leden er aanstoot aan namen! Ook kaderleden van de RKSP keken met argusogen naar de verbindingslijnen tussen Brabantia Nostra en Arnold Meijer. En anders dan met de NSB, zo moet hij melden, is het vanuit Brabantia Nostra nooit tot een ondubbelzinnige ideologische afgrendeling met Zwart Front of Verdinaso gekomen. Toen in het najaar van 1940 Jef de Brouwer (een Tilburgse leraar Nederlands die zich openlijk pro-Duits toonde en voor het nationaal-socialisme had gekozen) en Geert Ruygers, allebei vooraanstaande personen van Brabantia Nostra en medewerkers van het Haagse secretariaat van de Nederlandse Unie, voor een volledige fusie tussen de Unie en Nationaal Front ijverden, uit persoonlijke opportunistische motieven en om de NSB de wind uit de zeilen te nemen, leidde dit in de top van de Unie tot spanningen en conflicten.

Er kan dus niet gesproken worden van een fascistoide ideologie van Brabantia Nostra. Daarvoor ontbrak eenvoudigweg een gemeenschappelijk gedachtengoed in deze richting, tenzij men het nostalgisch katholicisme, de adoratie van de vroomheid van het boerengezin, de hang naar de eenvoud van het volk en de verknochtheid aan het Brabantse land als zodanig wil bestempelen. Deze organisatie gelijkstellen met totalitaire, anti-democratische, rechtsradikale, gewelddadige, op de omverwerping van de maatschappelijke orde gerichte bewegingen van tussen de wereldoorlogen zou volstrekt onjuist zijn. Bovendien zou dat hoe vreemd het ook moge klinken haar een veel grotere invloed en betekenis geven dan zij in werkelijkheid bezat.

BEKROMPEN

In dit boek presenteert Brabantia Nostra zich onmiskenbaar als een groepje romantici met een sterke voorliefde voor kunst en literatuur en behept met provinciale minderwaardigheidsgevoelens. Zij was in feite een 'eenmansbedrijf'. De organisatie werd in intellectueel opzicht vrijwel volledig gedomineerd door de conservatieve priester P. C. de Brouwer. Deze leraar klassieke talen en oud-rector van het Tilburgs St. Odulphus-lyceum, die door de Nijmeegse historicus L. J. Rogier eens als een simpele en bekrompen dorpspastoor werd afgeschilderd, bang voor al het nieuwe, die nog droomde van een kruisridderideaal, verknocht was aan het kalme ritme van het Brabantse boerendorp en wars van nieuwerwetse leuzen, werd door de kleine kern van Brabantia Nostra geadoreerd.

Het lijkt er echter vaak op of de auteur met deze wat bescheiden rol van zijn onderwerp wat moeite heeft. Hij probeert het althans steeds boven het onbeduidende uit te tillen. Dat geeft zijn analyses en vooral zijn gevolgtrekkingen iets krampachtigs en getuigt van weinig wetenschappelijke distantie. Zo breekt Van Oudheusden zich het hoofd over de vraag of Brabantia Nostra als cement of als breekijzer in de katholieke zuil fungeerde, of haar een conservatief of progressief etiket moet worden opgeplakt. Er is geen diepzinnige beschouwing nodig om uit deze vermeende dilemma's te komen. Brabantia Nostra heeft niet echt wortel geschoten in de Brabantse bevolking, het bleef een wat elitaire gezelligheidsclub. Zij wist niet goed raad met de vraag welke activiteiten ondernomen moesten worden en miste steun van RKSP en episcopaat, niet omdat bij de leiding van deze machten in de jaren dertig enige angst voor scheuring bestond, maar omdat zij het groepje door zijn wat bevlogen karakter te onbetekenend vond, zowel in pastoraal als in politiek opzicht. Vergeleken met organisaties als KRO en RKSP is de aanhang van Brabantia Nostra in ieder geval te verwaarlozen. Brabantia Nostra nam in wat we tegenwoordig het maatschappelijk middenveld van verzuilde organisaties noemen, een marginale positie in.

De beweging, zo moet de conclusie luiden nu we terug kunnen kijken op haar bestaan tussen 1935 en 1951, heeft geen stimulerende rol gespeeld op sociaal terrein, noch in mentaal-cultureel opzicht of in de emancipatie van de Brabantse bevolking. Als conservatieve beweging, traditionalistisch, vervuld van respect voor de samenleving waarin men is opgegroeid en die men in zijn oude 'glorie' hersteld wenste te zien, miste zij inspiratie en daadkracht en bovenal de aansluiting om de Brabantse bevolking bij die emancipatie de helpende hand te bieden. Of het verdedigbaar is te stellen, zoals de auteur doet, dat Brabantia Nostra het cultureel bewustwordingsproces in die provincie heeft gestimuleerd, valt dan ook te betwijfelen, tenzij men dat beoogde met de bouw van talrijke Mariakapelletjes langs Brabants wegen.

LIPPENDIENST

De conservatief-katholieke inslag steunde op een reservoir van concepten die in de gezwollen retoriek waarmee de beweging zich vooral tussen 1935 en 1940 in haar gelijknamige blad uitte andere activiteiten zijn te verwaarlozen over elkaar heen tuimelden: volkseenheid, gemeenschappelijke cultuur, anti-liberalisme, bloedverwantschap, katholieke orde, gemeenschapszin, traditie.

Zodra men op grond daarvan parallellen trekt met anti-democratische, fascistische bewegingen in het interbellum verliest men de realiteit uit het oog. Dat geldt ook voor een ander actueel thema uit die tijd: anders dan (al mag men die niet in een adem noemen) Gerretson, Nationaal Front en Verdinaso met hun grootnederlandse ideeen, bewees een enkeling in Brabantia Nostra (Geert Ruygers) slechts lippendienst aan de dietse gedachte die slechts gevoed werd door een soort minderwaardigheidsgevoel en een sterk anti-Hollandse houding.

Het is, anders dan de auteur beweert, twijfelachtig of deze beweging representatief is voor de toenmalige mentaliteit van de Brabantse bevolking. Brabantia Nostra kan niet anders getypeerd worden dan als een romantische splinter in het Brabant op weg naar een volwassen positie in de Nederlandse samenleving. Bra-bantia Nostra was eerder een toevallige vriendenclub, een gezelligheidsvereniging die zich met een pretentieuze naam sierde en die zoals dat tegenwoordig heet nog geen voetnoot in de geschiedenis van deze provincie zal opleveren. Hans van den Heuvel is hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam