Het geweld van de andere kant

Sinds in Israel weer de protocollen van de ijstijddiplomatie van kracht zijn is Jeruzalem onbereikbaar gebied geworden voor de wereldopinie. Zelfs de resoluties van de Veiligheidsraad die bedoeld zijn om de aandacht van Israel af te leiden, stuiten af op het granieten voorhoofd van Shamir, wiens diplomatieke conversatie nu nog alleen maar uit het woord njet bestaat. Die onwrikbaarheid vreet niet alleen in op de manoeuvreerruimte achter de schermen die elke diplomatie nodig heeft om nog mee te tellen, maar veroorzaakt ook het effect dat Israel inteert op het kapitaal dat het uit zijn afzijdigheid in het conflict tussen de wereld en Irak had gevormd.

De vraag is trouwens wat Shamir bij een VN-onderzoek naar de toedracht van de schietpartij op de Tempelberg had kunnen verliezen. Als er een land is dat de wereld onbevreesd in de ogen kan kijken omdat het de tekortkomingen van zijn rechtsstaat altijd in het openbaar heeft onderzocht (en in feite ook nu niet van die traditie afwijkt), is het Israel. De rechterlijke macht in dat land heeft nog nooit een blad voor de mond genomen en legerofficieren die de normen van de rechtsstaat schonden, altijd zware straffen opgelegd. Ook in de afwijzing van de Befehl ist Befehl-doctrine en de verheffing van de persoonlijke verantwoordelijkheid tot hoogste norm in de krijgsmacht, heeft de rechterlijke macht van Israel een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van de democratische en morele kwaliteiten van de Israelische rechtsstaat. Nergens ter wereld is een heel politiek en militair bestel ook met zoveel openheid gekritiseerd als in het onderzoek dat de commissie-Kahane (onder voorzitterschap van de president van het Israelische Hooggerechtshof) in 1982 instelde naar de verantwoordelijkheid van het Israelische leger voor de Libanese moorden op de Palestijnen in de vluchtelingenkampen van Sabra en Chatila bij West-Beiroet. Als de regering-Begin haar verantwoordelijkheid voor de misdaden in die kampen ten slotte onder ogen durfde zien, waarom zou Shamir dat dan nu niet voor een even betreurenswaardig maar veel kleiner incident kunnen doen?

Maar laten we de omstredenheid van de Klaagmuur en de incidenten die zich daar hebben voorgedaan ook eens van de andere kant bezien. Hoe vaak heeft het geweld aan die andere kant van de Westelijke Muur (laatste restant van de Tempel van Herodus en een van de belangrijkste heiligdommen uit de joodse geschiedenis) zich niet tegen de joden gericht? En hoe vaak heeft de wereld 'de andere kant', d.i. het Jordaanse leger, veroordeeld toen dat honderden joden tegelijk over de kling joeg en joodse religieuze heiligdommen ruineerde? Het antwoord is: nooit. Als we teruggaan tot de jaren van de Jordaanse bezetting van de Westelijke Jordaanoever (en de voorgaande periode van het Britse Mandaatsbestuur waaronder voortdurend joden werden vermoord, kortheidshalve overslaan) vinden we een lang spoor van Jordaanse misdaden waaraan het bloed van duizenden joden kleeft.

Koning Husseins Arabische Legioen (uit bedoeinen en avonturiers gevormd, geleid door Engelse officieren en gesubsidieerd uit de Engelse defensiebegroting) plunderde en moordde als middeleeuwse woestijnrovers. Het deed dat altijd op momenten dat de Verenigde Naties de andere kant uitkeken. De jonge Hussein bekleedde het koningschap weliswaar nog niet toen het Legioen van de (onder zijn woestijnsoldaten) legendarische Engelsman 'Glubb Pasha' zich systematisch aan de ontwijding en vernieling van de joodse heiligdommen in de Oude Stad van Jeruzalem schuldig maakte, maar als hij alleen al de schade zou moeten vergoeden die het Arabische Legioen later onder zijn constitutionele verantwoordelijkheid aan joodse eigendommen heeft toegebracht, zou hij tienvoudig failliet zijn gegaan.

Wat deed de wereld toen de Jordaanse troepen in mei 1948 het Joodse deel van de Oude Stad bombardeerde en het heiligste gebouw van de joden, de Hurva-synagoge met de grond gelijk maakten? Het Vaticaan, dat in de voorgaande maanden de hele wereld in het geweer had geroepen om de christelijke heiligdommen een beschermde status te geven (en overigens had geinsisteerd op de internationalisering van alle Heilige Plaatsen), zweeg in alle talen toen de Arabieren de heiligdommen als wapenarsenaal en schiettorens gebruikten. En wat deden de VN? Het papier voor een resolutie om de Jordaniers te veroordelen was op. De Verenigde Naties, altijd onmiddellijk op de been zodra het anti-Israelfront zich roerde, staken ook geen vinger uit toen het Jordaanse leger (bij het volle bewustzijn van het volledig verantwoordelijk Engeland) in 1949 bulldozers en pikhouwelen in de strijd gooide en de grafstenen van de eeuwenoude joodse begraafplaatsen bij de Tempelberg wegsleepte om er de weg tussen Jericho en Jeruzalem (toenmalig Jordaans gebied) mee te bestraten. Toen die weg was aangelegd, gebruikten ze alle overige joodse grafstenen die ze bij elkaar konden stelen voor het bouwen van huizen en legerkampen. Dat de Jordaniers niet kieskeurig waren (en het niet alleen op joodse heiligdommen hadden gemunt) toonden ze door boven op de Olijfberg, een van de belangrijkste Christelijke Heilige Plaatsen, het Intercontinental Hotel te bouwen en de toegangsweg naar dat hotel te plaveien met, jazeker, joodse grafstenen.

Na de verovering van de Oude Stad in 1967 ontdekte het Israelische bestuur dat in de voorgaande achttien jaren van Jordaans 'beheer' over de Heilige Plaatsen ruim driekwart van alle 50.000 grafstenen waren verdwenen of vernield. In het hart van een oude joodse begraafplaats was een moskee gebouwd, als een symbool van de islamitische bezetting. Ook nu weer lieten de VN een resolutie waarin de Jordaniers werden veroordeeld achterwege.

En wat deed Israel? Het hield zijn leger (en later de folkloristische fanaten die op de islamitische domeinen de Derde Tempel wilden bouwen) zo ver mogelijk uit de buurt van de islamitische Heilige Plaatsen. Het Israelische Leger ontwikkelde, in de geest van Chaim Weizmann en de amateur-archeoloog Moshe Dayan, het instinct van een Dienst Monumentenzorg en staakte zelfs in de oorlogen het vuur zodra er een heilige steen in zicht kwam, wat in een land waar praktisch elke steen een paar duizend jaar geschiedenis vertegenwoordigt een speciale militaire acrobatiek vereist.

Motta Gur, de bevelhebber van de Israelische troepen die in 1967 het oude Jeruzalem heroverde, noteerde in zijn dagboek van die dagen vijf specifieke instructies om de heiligdommen van de Arabische tegenpartij te ontzien. Hij liet zijn soldaten wel toe bij de Klaagmuur godsdienstoefeningen te houden, maar ook dat ging Dayan, die elke vorm van triomfalisme van zijn troepen onmiddellijk de kop indrukte, te ver. Dayan verbood alle joodse erediensten en liet de Israelische vlag die bij de verovering van de Tempelberg op de Koepelrots was geplant, direct weer neerhalen. Maar als er VN-resoluties voor goed gedrag hadden bestaan, had Israel ook die niet gekregen.