EUREKA!

Dat de vierendertig-jarige Maarten Fransen, wetenschapsfilosoof aan de univer siteit van Amsterdam, zowel natuurkunde als geschiedenis heeft gestudeerd, merk je in zijn onlangs verschenen Archimedes in bad aan de combinatie van betrokkenheid en distantie. In de vijftien hoofdstukjes van dit serieuze boekje speelt hij het klaar van bekende anekdoten uit vooral natuurkunde, sterrenkunde en scheikunde, te beschrijven wat er waar, onwaar of halfwaar aan is of was. En dat doet hij bovendien op een onderhoudende en leerzame wijze.

Het lukt Franssen een groot aantal sterke verhalen uit de wetenschap met overtuigende argumenten naar het rijk der fabelen te verwijzen. Zo is er bijvoorbeeld het bekende geval van de 13de-eeuwse koning Alfonso van Castilie, die meende dat als God hem bij de schepping om raad had gevraagd, het resultaat beter zou zijn uitgevallen. Tot nu toe ging men er altijd van uit dat Alfonso bedoelde dat hij de beweging van de hemellichamen beter zou hebben georganiseerd. Zelfs de befaamde wetenschapshistoricus Thomas Kuhn is er ingetrapt, maar Franssen helpt hem uit zijn droom.

Soms lukt het in Archimedes in bad niet om een anekdote geheel tot onzin te bestempelen. De overbekende twistappel van Newton ('met ruime voorsprong de beroemdste vrucht uit de geschiedenis van de wetenschap') blijkt in werkelijkheid de uitkomst van jarenlang onderzoek: ' Newtons latere bewering dat de vallende appel hem tot zijn zwaartekrachtswet had gebracht, was dus tamelijk misleidend, omdat het de ontwikkeling van twintig jaar aan een gebeurtenis koppelde.' Maar de hoogbejaarde Newton kan deze perspectiefvernauwing zestig jaar na dato wel vergeven worden, zoals Franssen zelf ruiterlijk toegeeft.

Een keertje bijt Franssen overigens in zijn eigen staart, als hij de 'ouroboros-droom' van de Duitse chemicus August Kekule behandelt als authentiek. Woltiz en Rudofsky hebben in 1984 het voor mij aannemelijker gemaakt dat Kekule deze droom achteraf heeft verzonnen, of in ieder geval de rol ervan heeft aangedikt om te verhullen dat de Fransman Laurent hem voor was geweest met de ontdekking van de structuur van benzeen.

Archimedes in bad geeft een voorbeeld van verzonnen serendipiteit (de gave om door toevalligheden en schranderheid dingen te ontdekken waar je niet naar op zoek bent). Het gaat om de ontdekking van het verband tussen elektriciteit en magnetisme door de Deen Oersted in 1820, en twee gevallen van authentieke serendipiteit, de vondst van de X-stralen door Rontgen en van radioactieve stralen door Becquerel. Franssen vraagt zich na deze beide vondsten af ' of het begrip serendipiteit in zijn oorspronkelijke betekenis in de wetenschap eigenlijk nog wel van toepassing kan zijn. (...) Het toeval biedt alleen af en toe de gelegenheid de weg een stukje af te snijden.' Dat is mijns inziens onvolledig. Serendipiteit biedt niet alleen af en toe de gelegenheid de weg een stukje af te snijden, maar soms ook om een onbekende weg naar een onbekend gebied in te slaan. Rontgen merkte zelf op: ' Ik ontdekte bij toeval dat de stralen door zwart papier gingen.' En toen hem jaren later werd gevraagd wat hij dacht toen hij de X-stralen ontdekte, zei hij: ' Ik dacht niet, ik experimenteerde.' En lang daarvoor kwam Socrates al eens tot het fundamentele inzicht dat het onmogelijk is voor een mens naar het onbekende te zoeken, want dan weet hij niet wat hij moet zoeken.