De kaping van de 'Marta'

8 augustus 1990 aan boord van het vrachtschip 'Marta' in de Golf van Thailand, op weg van Bangkok naar Busan met een lading tinplaten. De Duitse stuurman Pahl heeft de wacht. Het is een uur 'snachts en de zee is kalm, in de buurt dobberen een aantal vissersscheepjes. Dan ziet Pahl op de brug twee onbekende mannen van links en rechts op zich toelopen, vuurwapens in de hand.

In zijn hut schrikt de Belgische machinist Firmin van Laeres op uit zijn eerste slaap door lawaai op de gang. ' Ik dacht dat het de stuurman was en deed de deur van de haak. Die werd opengestampt en ik kreeg meteen een revolver tegen mijn hoofd. Mijn mond werd dichtgeplakt met tape en mijn handen op mijn rug met stalen handboeien samengebonden.'

Nadat de piraten alle zeven bemanningsleden van de 'Marta' hebben overmeesterd, brengen zij de groep bijeen in de mess. Daar blijkt de zeelieden dat er vier overvallers zijn. Twee van hen worden later omschreven als Euraziaten, de beide anderen als Aziaten. De kennelijke commandant spreekt goed Engels. Trots verklaart hij dat de groep een onderdeel is van een wereldwijde organisatie.

De eerste vraag die de gevangenen wordt gesteld luidt: Wie is de kapitein? Iedereen zwijgt. ' Toen hebben ze mij op m'n kop gestampt', vertelt Van Laeres. ' Met van die wurgstokken met een ketting ertussen. Daarop heb ik de kapitein aangewezen, ik laat me niet afslachten.'

De piraten willen informatie hebben over de lading en de bemanning krijgt te verstaan dat ze de overval alleen zullen overleven als de orders volledig worden opgevolgd. Dat argument wordt in de periode daarna met geweld onderstreept. Viermaal wordt er geschoten en regelmatig vallen er klappen. De drie Europeanen - Pahl, Van Laeres en de Nederlandse kapitein Herman Veenhuizen - zijn veelal het mikpunt. Zodra de dag aanbreekt op die achtste augustus wordt de naam op boeg en hek van het schip overgeschilderd. De 'Marta' heet nu 'Tai', een door de kapers meegebrachte Hondurese vlag wordt gehesen en de schoorsteen grijs geverfd. Tweeenhalve dag koerst het schip op de automatische piloot in zuid-oostelijke richting. Kapitein en stuurman worden bij toerbeurt naar de brug geleid om de instrumenten te controleren. Met hetzelfde doel wordt Van Laeres driemaal per dag naar zijn machinekamer gebracht. ' Een arm mocht los, de handboeien bleven rond de andere pols hangen. Ze wisten niet veel van beneden. Tot tweemaal toe heb ik bewust een blackout gemaakt, dan werkt er niks meer, ook de elektriciteit op het hele schip niet. Ze wisten niet wat er gebeurde en raakten in paniek. Maar zoiets kan je niet te ver drijven he.'

Op 10 augustus om ongeveer zeven uur 'savonds gaat het schip voor anker. De bemanning krijgt niet de gelegenheid te bepalen waar men zich bevindt, de patrijspoorten blijven afgesloten met stormcovers. Op basis van de koers en de snelheid moet het schip zich op dat moment in de buurt van de Indonesische eilanden Bangka en Billiton bevinden. De lading van 2000 ton tinplaten wordt overgeladen op een landingsvaartuig. Van Laeres heeft er 'snachts het een en ander van gezien, vanuit zijn hut net onder de brug. Hij wil foto's maken, maar durft dat niet aan omdat er alleen met flitsapparatuur iets valt te doen. De 'Marta' wordt gelost door specialisten, de piraten spelen daarbij geen rol. ' Die wisten niet eens hoe ze de luiken moesten openen', zegt Van Laeres schamper. ' Die landingsboot was groter dan ons schip en had zeker twee vorkliften aan boord. Brutaal waren ze ook, het lossen gebeurde in een drukke scheepvaartroute. Ik heb containerschepen op korte afstand zien passeren.'

Op 13 augustus rond het middaguur is het lossen gereed. De reis wordt hervat, nu in noord-westelijke richting. De stemming is wat meer ontspannen. Van Laeres: ' Chief, zeiden ze tegen me, nu ben je vrij'. Maar als de piraten op 17 augustus met een sloep van boord gaan nemen ze wel persoonlijke bezittingen van de bemanning en geld mee. Ook de kapitein wordt gedrogeerd aan boord gebracht van de sloep. De radio-apparatuur van het schip wordt vernield en zeekaarten van het gebied zijn verdwenen. Op 19 augustus keert het schip terug in Bangkok. De bemanning probeert met noodsignalen de aandacht te trekken van de loodsdienst. Maar zelfs als er tenslotte vuurpijlen worden afgeschoten, volgt uit de haven geen reactie. ' Ze dachten kennelijk dat we een party hadden', zegt Van Laeres. Het schip gaat voor anker en probeert de volgende ochtend op eigen inzicht de haven binnen te komen, maar loopt aan de grond. Daarop wordt eindelijk gereageerd door een politieboot waarna hulp volgt.

Achteraf zegt Van Laeres dat de eerste confrontatie met de piraten - die tien dagen lang zijn leven zouden bepalen - het angstigst was. ' Je denkt: wat gaat er nu gebeuren? Gedachten aan je vrouw en kind komen boven.' Nog nooit had hij nagedacht over piraterij. Naar zijn zeggen is het ook beslist geen gespreksonderwerp onder zeelieden.

De vraag of hij een idee heeft uit welk land de piraten afkomstig waren, brengt hem in zenuwachtige verlegenheid. Hij denkt de taal die de mannen onderling spraken te kunnen thuisbrengen, maar wil het land niet noemen. Bij het afscheid na tien dagen verplichtten de piraten de bemanning van de 'Marta' hun mond te houden over de details van de gebeurtenis. Anders zouden ze de echtlieden of hun gezinnen wel weten te vinden. ' Ze hadden alle hutten doorzocht en beschikten over de adressen van iedereen.' Daarom ook is het stil gebleven in de media rond deze gebeurtenissen. De reder, Van Zandvoort Shipping in Antwerpen, en de individuele zeelieden hebben de zaak zoveel mogelijk buiten de publiciteit gehouden. Dat kapitein Veenhuizen door de piraten werd meegenomen toen zij het schip verlieten en pas tien dagen later weer opdook, heeft eind augustus even de aandacht getrokken.

'De kapitein heeft zich misschien teveel verzet', zegt Van Laeres. ' Ik heb hem na die eerste nacht nog tweemaal gezien. Hij had slaag gekregen, zijn jukbeen was blauw en geschramd. Je kreeg geen kans met hem te praten. Ze bleven bij de deur staan en verboden ons ieder gesprek.'

Kapitein Veenhuizen werd volgens de verklaringen van andere bemanningsleden voor het laatst gezien op 12 augustus om zes uur 'savonds. Zijn hoofd was toen afgedekt met een kussensloop. De man is nog steeds in de war. Tegenover de interviewer van het International Maritime Bureau - dat op verzoek van de verzekeringsmaatschappij een onderzoek naar de piraterij heeft ingesteld - verklaarde hij inderdaad vanaf 12 augustus te zijn geisoleerd. Voortdurend was hij geboeid en geblinddoekt. Op 17 augustus kreeg hij bij zijn eten een glas Coca-Cola in plaats van water zoals gebruikelijk. Het volgende wat hij zich herinnert is dat hij met een zwaar hoofd wakker werd op de bodem van een reddingsboot die in zee dreef. Hij werd overgebracht op een vissersboot. Een van de piraten vergezelde hem. Eindelijk mochten de handboeien af. Alle bemanningsleden hadden volgens het rapport weken na de gebeurtenissen trouwens nog beschadigde polsen van die boeien. Op 25 augustus kreeg de kapitein tien dollar van zijn begeleider en werd hij aan land gezet in de omgeving van Laem Ngop in de nabijheid van de grens tussen Thailand en Cambodja. Pas twaalf uur later mocht hij zich melden bij de politie. Het kostte overigens nogal wat moeite om een politiebureau te vinden. Toen dat was gelukt, werd hij naar een grotere stad (Trat) gebracht waar hij telefonisch contact had met de reder in Antwerpen. Op 28 augustus kwam Veenhuizen aan in Bangkok Hij kreeg reisdocumenten van de Nederlandse ambassade en reisde de volgende dag door naar Belgie.