De CDA-radicalen van weleer; B. Goudzwaard: 'Maar ja de keusviel op Van Agt';

Na een decennium mede-verantwoordelijkheid voor economische groei enstijgende welvaart, viert het Christen Democratisch Appel vandaagfeest: de tiende verjaardag. KVP, ARP en CHU schreven voor het nieuwe CDAmedio jaren zeventig echter een programma dat juist forse grenzenaan de economie stelde. Wie zich destijds afvroeg waar dat door de ARbedachte begrip 'Appel' toch op sloeg, kreeg 'Niet bij brood alleen' in handen geduwd.

Een dubbelinterview over de tijd waarin het CDA een linkse partij leek te worden. Met de oud-ARP'ers prof. dr. B. Goudzwaard en de parlementarier drs. M. Beinema. Goudzwaard, die niet 'meeging' met het CDA, vertelt over de jaren zeventig; Beinema, die wel meeging, over de jaren tachtig.

Contractlonen zouden voorlopig niet meer stijgen. Inkomens worden bepaald door een Raad voor het inkomensbeleid. Werknemers kiezen eigen commissarissen. Produkten worden pas op de markt toegelaten nadat ze zijn getoetst op milieubelasting. Werknemers en werkgevers stellen samen per bedrijfssector richtlijnen vast voor ondernemingsbesluiten over investeringen, afval, arbeidsvoorwaarden en reclame.

Het CDA-in-oprichting had voor de periode 1977-1981 vergaande plannen met Nederland. De hoogleraar economie Bob Goudzwaard (ARP) werd gezien als degene die het allemaal had bedacht. Maar zelf noemt hij 'Niet bij brood alleen' vooral een uitwerking van de ideeen van dr. P. Steenkamp. 'Op weg naar een verantwoordelijke maatschappij' had de toenmalige KVP'er Steenkamp voor een samenwerkingsclub van KVP, ARP en CHU in 1973 geschreven, met als ondertitel ' Een politieke strategie voor de jaren zeventig'.

' Dat was een heel motiverend stuk. Dat was wat christen-democratie zou kunnen zijn', zo zegt Goudzwaard. Hij diept een paar vergeelde pagina's uit een partijblad op, waarop hij met balpen de relevante passages heeft aangestreept. De Westerse economie noemde de huidige ere-voorzitter en godfather van het CDA toen 'een onafgebroken Sinterklaasavond' en 'de draaimolen van ongebreidelde produktie-uitbreiding'. De politiek moest 'de handen tussen de spaken van het wiel der menselijke geschiedenis steken'. De bedoeling was niet minder dan een ' algemene herziening van het menselijk gedrag' te bereiken. Het waren de jaren waarin het rapport van de Club van Rome in alle partijen nagalmde. Goudzwaard hoopte op een dubbele doorbraak: tussen de christelijke partijen naar een CDA en met de linkse partijen naar de economie-van-het-genoeg.

' Als Steenkamp destijds premier was geworden dan had hij dit uitgevoerd. Maar ja, de keus viel op Van Agt. En die had hier geen affiniteit mee', zegt Goudzwaard spijtig. Het programma mocht dan unaniem zijn aanvaard door de drie partijen en hun Kamerfracties, toch verwaterde het. De recessie had ingezet - werkloosheid en inflatie stegen, als coalitiepartner werd de conservatieve VVD gekozen. Minister Lubbers (economische zaken) begon op continuiteit aan te dringen, niet op selectiviteit in de economie. In het land taande de belangstelling voor verdere oppositie tegen de CDA-vorming: al sinds 1965 waren er tal van lokale samenwerkingsverbanden actief. De pogingen van Goudzwaard om het CDA niet in ' zomaar een middenstandspartij, een soort Nederlandse CDU' te laten ontaarden, werden volgens hem eind jaren zeventig begrepen als ' onaardig doen tegen de katholieken'. Terwijl het hem vooral ging om de strijd tegen het consumentisme.

Toen ook nog besloten werd om kernwapens in Nederland te stationeren haakte Goudzwaard af. ' De geloofwaardigheid van christelijke politiek was ter ziele'. In zijn eigen ARP kreeg hij ook te weinig steun - hij kon niet op tegen Van Agt die in protestantse kring zeer populair bleek, verklaart hij. Even deed Goudzwaard nog een poging om samen met de AR-jongeren, de PPR en de Evangelische Solidariteits Partij 'iets op de flank van het CDA' op te richten. Maar hij zag er van af; er kon over de grondslag geen overeenstemming worden bereikt. Sinds de opheffing van zijn ARP is hij partijloos.

' Politieke partijen hebben een agogische taak', zegt hij. ' We moeten Nederland er op orienteren dat er genoeg kan zijn'. Zo was hij ook gewend geweest in de ARP te opereren - de doorgaans behoudende kiesverenigingen met de nota-Steenkamp in de hand uitleggen waarom de samenleving hervormd moest worden. Daar hield men van een harde preek, mits uit eigen kring. De jonge VU-prof maakte er indruk.

Hij had destijds wel begrepen dat zijn programma van solidariteit en soberheid bij het electoraat impopulair zou kunnen zijn. Maar volgens hem leek het ook zeker dat er ' na een periode van 'even slikken' toch een permanente achterban voor te vinden was'. Werd er niet in alle partijen in deze richting gedacht? Achteraf voelt hij zich gebruikt: een jonge idealistische hoogleraar een programma laten schrijven dat verder zou gaan dan in de praktijk bij een grotere partij mogelijk was. Diegenen in het CDA die wisten hoe ze met macht om moesten gaan hebben dat voorzien, meent hij. ' Die dubbelheid is in het CDA tot vandaag de dag blijven bestaan. Het is een vorm van schizofrenie waarvan ik vervreemdde: een programma opstellen dat verder gaat dan men in de praktijk mogelijk houdt.' Het probleem zit in de begrippen realisme en idealisme die volgens hem verkeerd om worden gebruikt: wat hij realistisch vindt, noemen ze tegenwoordig idealistisch. Eind jaren zeventig was dat anders.

Wat vindt hij van het CDA van nu? ' Het CDA is een partij die de neiging heeft om electoraal succes uit te leggen als een bewijs dat ze het bij het rechte eind heeft. Terwijl het best kan zijn dat ze een Pyrrhus-overwinning boeken - misschien verwijt het electoraat het CDA over tien jaar wel dat het de samenleving niet eerder voor bepaalde keuzen heeft gesteld.'

Maar wellicht is dat juist een kenmerk van een grote middenpartij, meent hij. ' Van een middenpartij kan altijd misbruik gemaakt worden - die kan onvoldoende weerstand bieden aan de wensen van het electoraat; dan krijg je een politiek van gematigd eigenbelang en uitstel van belangrijke beslissingen. De politiek ontwikkelt zich pragmatisch - het gedrag van het electoraat wordt aanvaard. Het gaat vooral om de zaak draaiende te houden.'

Goudzwaard was er op uit om ' de macht van de politiek te ontsluiten' voor een hoger doel. Een jaar of twintig geleden kon je daar de hele Nederlandse samenleving nog voor mee krijgen, meent hij. Tegenwoordig ' valt er door de beeldvorming niet meer heen te komen. De grote armoede in de wereld, de onaanvaardbare schuldenproblematiek - het dringt niet meer door tot de Nederlandse politiek. Welke partij trekt daar nu consequenties uit voor de loonvorming? Ook de PvdA niet. Soms wordt het nog door de Raad van Kerken aangezwengeld. Ik wens ze daar veel succes bij'.

De partij wordt volgens hem ' technisch knap geleid, binnen de marges van het gearriveerde economische denken - dat de menselijke behoefte onbeperkt is en de economie legitimerend moet zijn voor alle menselijk handelen. Maar zo wordt er dus wel veel over de kling gejaagd'. De ideologie van de zorgzame, later verantwoordelijk genoemde samenleving, waar het CDA begin jaren tachtig mee kwam, zegt Goudzwaard weinig. ' Dat heeft vooral verbale kracht: het is een toedekkend, versluierend begrip. Dat is ook niet de keuze waar we nu voor staan. Verantwoordelijkheid als politiek begrip heeft pas zin als je gedwongen kunt worden om verantwoording af te leggen. Om je plicht na te komen.'