Wat wij zien en horen

Het wemelt om ons huis van salamanders en kikkers. De salamanders zijn kleine watersalamanders (je hebt ook nog de grote watersalamander, maar die komt hier niet voor), de kikkers zijn heikikkers, die zijn wat mooier getekend, je zou kunnen zeggen die zien er wat nieuwer uit, dan de gewone bruine kikker. Op de plaatsen waar de salamanders zich na de paartijd in het water op het land terugtrekken, gebruikt onze papa nooit de grasmaaier, want hij zegt dat hij het zichzelf nooit zou vergeven als hij zo'n diertje zou vierendelen. Daarom trekt hij er het gras en de planten die er niet horen met zijn handen uit. Als hij zo'n kruipseltje vindt roept hij ons om het te laten zien.

Ze voelen lekker aan. Vanaf ons eerste levensjaar hebben we al tientallen van die diertjes op onze handpalm gehad. Ze hebben de kleur van... als je een bos gewone elastiekjes neemt, ja, zo'n kleur hebben ze precies. Ongebrande omber waar een heel klein beetje goud door zit. En hun buikjes zijn lichtoranje. Cadmiumoranje, om precies te zijn, maar dan van waterverf en heel dun uitgestreken. Dat klinkt natuurlijk nogal eigenwijs, ongebrande omber en cadmiumoranje, voor jongens van negen jaar. En onze papa zegt wel eens, jongens schei uit met dat gezeur over kleur, als we wat al te vrolijk aan hem vragen of dat nou kraplak is, dat rood op de appels. Hij denkt dat we hem soms een beetje in de maling nemen met al die tinten en kleuren, wat we ook wel eens doen. Dat is geen blauw, hoor papa. Dat is kobaltblauw met een beetjeultramarijn erdoor. 'Ja, lulhannesjes', zegt hij dan. 'En er zit ook nog een snuifje pruisisch blauw door. Hadden jullie dat niet eens gezien.'

Maar hij is er zelf over begonnen, want onze vader is niet alleen schrijver en beeldhouwer, hij is ook nog schilder. Toen we twee jaar waren en begonnen met schilderen, of kliederen kan je beter zeggen, drukte hij in het begin de dotjes verf in de juiste volgorde voor ons uit de tube op een oud bord. Eerst wit, dan cadmiumgeel citroen, cadmiumgeel middel, cadmiumoranje (daar heb je dat oranje van de salamanderbuikjes!), vermiljoen, karmijn, kraplak, ultramarijn en kobaltblauw, gele oker, ongebrande omber en gebrande omber, ongebrande sienna (je kunt ook sienna naturel zeggen) en gebrande sienna, groen, en zwart sluit de rij. De dood komt het laatst, zegt onze papa. En je moet zolang je leeft niet al te veel zwart gebruiken. Begint het jullie nog niet te duizelen van die uitgebreide regenboog. Als kleuters zeiden we een keer bij de bakker over de kleur van een brood, dat is gele okerachtig met een beetje gebrande sienna. Toen keken ze ons aan of we een vieze schimmel op de korst ontdekt hadden. Als je te veel weet is het wel eens lastig, want het lijkt wel of de grote mensen je het liefst een beetje dom hebben. Behalve onze ouders natuurlijk. Nu verder over de heikikkers, die hier zo talrijk zijn dat je moet oppassen waar je je voeten neerzet. Het afgelopen voorjaar lag er in de poel naast ons huis een grote klont kikkerdril aan de kant tussen de waterplanten te dobberen. Onze papa heeft er eerst het traliegedeelte van een kooitje van onze gestorven goudhamsters overheen gezet, omdat er steeds paartjes wilde eenden in de poel komen vrijen. Daar hebben ze water voor nodig. Nou vrijen, zeg maar gerust nogal ruw neuken. De woerd fladdert bovenop de vrouwtjeseend en duwt haar helemaal onder.

Ondertussen pikt hij zich nog vast op haar kop ook, om er niet af te glijden denken we. Nou, als onze ouders het zo moesten doen dan had onze mamma allang haar diploma reddend zwemmen, want ze kan heel wat beter zwemmen dan onze papa. We hebben trouwens niet eens een bad maar een douche. Maar onze papa zegt dat onze mama wel een heel goed haarwrongetje heeft om je verliefde tanden in te zetten. Vroeger was hier wel een badkamer in het huis, maar daar is meteen een kleine bibliotheek van gemaakt. Onze papa wil niet in het badschuim liggen dobberen, zegt hij. Dan voelt hij zich net een blok basalt. Hij is nogal harig overal en dan zwabberen die haren door het water heen en weer als wier en algen. Dat schijnt hij nogal eng te vinden. Zeker bang dat er een krab in zijn lulletje bijt. 'Ik ben al geboren', zegt hij, als we wel eens in een hotel logeren en we allemaal een lekker schuimbad nemen. Maar om met die verliefde eenden verder te gaan, die hebben na het waterworstelen nogal honger en dan snavelen ze zo'n hele klont kikkerdril naar binnen als marmelade. Dus toen de zwarte korreltjes in het dril komma's waren geworden, die je als je heel goed keek al een beetje zag bewegen, heeft onze papa het kooitje eraf gehaald, de hele klont in een emmer geschept en dat in een grote plastic bak met zuiver water gedaan. De hele zomer is hij ermee bezig geweest. Op den duur zaten er honderden kikkervisjes in. Dan haalde hij onbespoten sla uit onze eigen moestuin en verkruimelde dat tussen zijn vingers voor de hongerige larfjes. Dat had hij als jongetje bij Jac. P. Thijsse gelezen, want die kon heel goed schrijven over de natuur. (Wij zitten hier op de roemruchte Jac. P. Thijsse-school!) En toen er kleine kikkertjes ontstonden zette hij die een poosje in een glazen bak met planten en veen en als ze groot genoeg waren gaf hij de kleine kluitjes de vrijheid. Volgende week meer over alle dieren die het hier zo gezellig en veilig hebben.