Uit het land aan gene zijde; Roman van Jeroen Brouwers

Na de eerste negentig bladzijden van Zomervlucht, de onlangs verschenen roman van Jeroen Brouwers, overkomt de hoofdpersoon iets merkwaardigs. Het boek beschrijft enkele maanden uit het leven van een tobberige musicoloog die zich na een redelijk succesvolle carriere als pianist met zijn vrouw op het Nederlandse platteland heeft teruggetrokken. Maar op bladzijde 90 is hij per vliegtuig op weg naar New York. Dank zij de bemiddeling van een vroegere vriend heeft hij onverwacht een uitnodiging gekregen voor een belangrijke muziekconferentie. Hij mag een lezing houden over zijn vroegere specialisme, de 'abstracte werken' van Johann Sebastian Bach.

Het wordt in verschillende opzichten een vreemde vlucht. Op het vliegveld is omgeroepen dat het gaat om een zomervlucht, de zomervlucht waarnaar de titel van het boek verwijst. Maar het wordt ook een zomervlucht in overdrachtelijke zin, een vlucht uit een vastgelopen huwelijk. De zomer waarnaar wordt verwezen is niet alleen letterlijk een zomer, het is tevens een innerlijke zomer. Een laatste opbloei van de hoofdpersoon. Tegen zijn vijftigste doet hij een laatste poging tot vernieuwing, door een ander leven te beginnen aan de andere kant van de oceaan.

Met een overdaad aan barokke beeldspraak en niet altijd even fraaie neologismen laat Brouwers in de eerste helft van zijn boek door middel van een aantal flashbacks de belangrijkste episoden uit het leven van de musicoloog zien. Zijn jeugd als weeskind in een hotel dat door zijn grootouders wordt gedreven, een erotische ervaring met een meisje van de kermis, lessen bij een vooraanstaand muziekpedagoog, en daarna de onvermijdelijke verveling van het huwelijk: 'De aaneenschakeling van gebeurtenisloosheden, of onmiddellijk te vergeten onbelangrijkheden, dag in dag uit, jaar na jaar, zo tot aan het einde van zijn leven, Karins leven, het huwelijksleven.'

Wat de zomervlucht in de eerste plaats merkwaardig maakt is dat het bij het vertrek op Schiphol buiten al donker is. Dat is uitzonderlijk bij reizen naar New York. Het is bijna de langste dag van het jaar, 20 juni, maar het vertrek vindt zo laat op de avond plaats dat er buiten alleen maar lichtjes te zien zijn.

Stilstaande tijd

Merkwaardiger is echter nog de aankomst in New York. Als het vliegtuig na dertig bladzijden op Kennedy Airport landt is het even laat als bij het vertrek, elf uur 's avonds, en het is ook nog dezelfde dag. Tijdens de vlucht over de oceaan moet de tijd dus stil hebben gestaan. De musicoloog heeft nog alle tijd om rustig uit te checken, hij kan nog voor middernacht met zijn Newyorkse vriend door een stad bij avond rijden, en er is nog tijd genoeg om in een jazzcafe bij de muziek van een zwarte pianiste een hapje te gaan eten.

Dit is uiteraard heel erg vreemd. Vliegtuigen die van Schiphol naar New York vliegen komen in de plaatselijke tijd meestal enkele uren later aan dan ze zijn weggegaan. Wie om elf uur 's avonds vertrekt, als dat al mogelijk zou zijn, komt waarschijnlijk ver na middernacht aan.

Dat wil zeggen dat de musicoloog onderweg de tijd heeft overwonnen. Of hij heeft, anders gezegd, geen ruimte overbrugd. Van de vertrekhal op Schiphol is hij rechtstreeks naar een wereld van, letterlijk, ongekende mogelijkheden gegaan. Noem het zoals je wilt: een land aan gene zijde, een tegencultuur. Brouwers zou Brouwers niet zijn als hij deze gebeurtenis niet uitvoerig illustreert met dik opgelegde metafysische scenes. Zo ziet de musicoloog onderweg, midden in de nacht, door een raampje plotseling een vreemd licht naar binnen glijden, licht 'waaruit geen tijd valt af te leiden'. Ook zijn horloge geeft signalen af, dat blijkt steeds weer verkeerd te staan.

Je krijgt de indruk dat Brouwers na dit Mulischiaanse begin niet goed meer wist hoe hij verder moest. De tweede helft van het boek is aanmerkelijk minder sterk dan het begin. Alle mythische tekenen worden nog eens uitvoerig herhaald, maar het verhaal wordt geleidelijk aan steeds platter. Het beeld van een overgevoelige man die op een keerpunt in zijn leven in een andere wereld is terechtgekomen brokkelt af.

Na zijn aankomst in de nieuwe wereld komt de musicoloog in contact met de zwarte barpianiste. Hij belandt met haar in bed. Zijn vroegere vriend blijkt een televisieshow te hebben waarin de musicoloog wordt uitgenodigd als gast. Maar hij belt ook vanuit New York met zijn in Nederland achtergebleven vrouw. En hij koopt opvallende Amerikaanse schoenen die hij later thuis zal laten zien.

Het verhaal eindigt weer in het alledaagse Nederland, waar zich een boertig en nogal langdradig drama ontvouwt. In de laatste hoofdstukken is de hoofdpersoon weer teruggekeerd bij zijn vrouw. Hij kan 's avonds niet goed in slaap komen en doolt rondom zijn verbouwde boerderijtje in wat Brouwers (in navolging van Rene Stoute?) aanduidt als 'het achterland'. Hij denkt terug aan Amerika.

Heeft er dan toch een vlucht door het reeel bestaande luchtruim plaatsgevonden? Je zou het bijna geloven.

Mythisch

De onzekerheid over wat de musicoloog tijdens zijn zomervlucht heeft uitgespookt, maakt dat de roman Zomervlucht balanceert op de grens tussen twee genres. Nu eens is het boek een realistische, sociaal-psychologische liefdesgeschiedenis, dan weer wordt het iets mythisch, een reis door het innerlijk, een tocht langs herinneringen, wensen en archetypen.

Ik kan me voorstellen dat er lezers zijn die deze onduidelijkheid waarderen. Sommige mensen kunnen er niet genoeg van krijgen om steeds weer, zoals dat heet, 'op het verkeerde been te worden gezet'. In dit geval ben ik het echter niet met hen eens. In Zomervlucht is het eerder zo dat je nauwelijks op het een of andere been worden gezet. Brouwers laat zijn bedoelingen in het midden. Hij maakt daardoor een literaire hinkstapsprong. De ene interpretatie kan, wat hem betreft, de andere kan, en ze kunnen ook allebei. Hij geeft door het hele boek heen aanwijzingen die je een richting uitsturen, maar ze zijn bij elkaar te tegenstrijdig om je ook ergens te laten uitkomen. Uiteindelijk kom je wel ergens aan, maar er zit geen duidelijk plan achter de route die Brouwers je laat volgen.

Een concreet voorbeeld, tot slot, van waar deze tweeslachtigheid toe leidt. Het karakter van de hoofdpersoon slingert nu heen en weer tussen een plat realistische en een verheven mythische figuur. Het ene moment is de musicoloog een beperkt en nogal dom type, een tobber die een magnetronoven voor zijn vrouw koopt, een morsige pianoleraar die zich diep in de provincie staande houdt. Een volgend moment wordt hij echter beschreven als een bijzonder fijnbesnaard wezen, een wonderkind dat op zijn dertiende Homerus uit zijn hoofd kent, een genie met het niveau van een Horowitz, een Ashkenazy of een Richter,

Het gevolg van dit alles is dat Zomervlucht, naarmate je er verder in doordringt, steeds onbevredigender wordt. Op de goede momenten denk je een gecompliceerde, intellectuele roman in handen te hebben, die interessante onderwerpen aansnijdt. Maar te vaak moet je daarna constateren dat het allemaal loos gebalanceer is geweest. Wat Brouwers ook voor moois heeft opgebouwd, het wordt meteen daarna weer afgebroken. Er gebeurt eigenlijk niets mee.