Teddybeder

Toen Eduard in de spiegel keek, thuiskomend van een feest, Toen dacht hij plotseling bevreemd: wat ben ik voor een beest? Ja, ik weet heus wel wie ik ben, ik ken mijn aangezicht. Dat ken ik namelijk heel goed, ook met mijn ogen dicht,

Niet enkel van de buitenkant: ik ken het ook van binnen; Maar wat voor dier ik ook weer ben, dat schoot mij uit de zinnen. Ben ik misschien een kangoeroe, of ben ik soms een paard? Niet paard want ik ben ongehoefd, en ook heb ik geen staart. Ik ben geen hond, want ongewoefd, en ook geen geit, want ongebaard; Wat niet betekent ongeboren, het is meer iets van ongeschoren,

Dat wil zeggen baardeloos; maar daarom nog niet waardeloos! Mijn vacht is dik en dunkt mij, aaibaar; m'n kop naar alle kanten draaibaar,

Een bruin behaarde snuit van voren, een ronde neus en ronde oren. Maar ondanks al dat bruine haar word ik geen hondelucht gewaar; Het lijkt mij dat ik lekker ruik. Behaarde borst, behaarde buik, Zelfs mijn poten zijn van vacht, een beetje stroef, maar toch ook zacht; Ze zijn gemaakt om te omarmen. En ach! mijn ogen, vol erbarmen, Zo trouw en zo oneindig teder. En O! mijn voetzolen van leder. Wat of ik ben, dat wil weten; ik ben mijn eigen soort vergeten. Ben ik een egel, een ongestekelde? Of een haring, een ongepekelde? Ben ik een bok, een onbeteugelde? Of een vogel, een ongevleugelde? Een kleingeoord konijn misschien? Zelfs niet een knaagdier, zo te zien:

Geen poes want geen gespin, geen eend want geen gekwaak, Geen griffioen, geen chimaera, geen foenix en geen draak,

Geen zebra en geen wrattenzwijn, wat zou ik nu toch kunnen zijn? Ik lijk zo dapper en zo fier, wat was ik ook weer voor een dier? Wat was ik nu toch weder? Ben ik misschien een beder?

Voortekenen

Of: loop nou met me mee,