Shell: afvalnormen in jaren 50 waren anders

DEN HAAG, 26 okt. Shell Chemie mocht in de jaren vijftig zeer giftig landbouwgif (drins) op een gemeentelijke stortplaats in Gouderak storten, omdat de oliemaatschappij geen reden had aan te nemen dat haar afval gevaar voor mens of dier zou kunnen opleveren. Dit betoogde advocaat mr. H. J. C. ter Kuile gisteren namens Shell voor het gerechtshof in Den Haag, waar het hoger beroep diende dat Shell heeft aangetekend tegen het tussenvonnis dat de Rotterdamse rechtbank in 1987 uitsprak.

Mr. ter Kuile stelde dat teruggrijpen met de kennis en opvattingen van nu op de gedragingen van dertig jaar geleden een ernstige inbreuk op de rechtszekerheid zou betekenen. Volgens een arrest van de Hoge Raad van februari 1990, in de zaak van de Staat tegen het voormalige galvaniseerbedrijf Van Amersfoort, mag de overheid de kosten van bodemsanering niet verhalen als de vervuiler op het tijdstip van de stort niet kon weten dat de overheid zich het belang van een schone bodem aantrok. Volgens de advocaat is dit pas sinds 1980 het geval, na de ontdekking van het gifschandaal in Lekkerkerk en de daarop volgende bodemsanering. Dus, redeneerde mr. Ter Kuile, kan Shell nu niet worden gestraft voor gedragingen in de jaren vijftig.

Landsadvocaat mr. B. D. Wubs betoogde daarentegen dat de overheid zich het belang van een schone bodem al anderhalve eeuw aantrekt en dat Shell ook op grond van de jaren vijftig geldende normen onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig had gehandeld. Bovendien leverde het landbouwgif met de drins wel degelijk ernstig gevaar op voor mens en dier.

De staat vordert van Shell de kosten die zijn gemoeid met de sanering van de Zellingwijk, de woonwijk die in de jaren zestig op de voormalige vuilstort in de bocht van de Hollandse IJssel werd gebouwd. De kosten van sanering de wijk werd afgebroken en het verontreinigde terrein werd afgedekt worden geraamd op ten minste 110 miljoen gulden.

Volgens mr. Ter Kuile had Shell de overheid al in 1959 gewaarschuwd dat het bedrijf vijf jaar lang giftige drins in Gouderak had gestort, nadat in dat jaar een enorme vissterfte optrad in de Hollandse IJssel. Niettemin had de overheid op het gif huizen gebouwd, waaruit volgens mr. Ter Kuile duidelijk bleek dat de overheid het belang van een schone bodem niet besefte. Mr. Wubs reageerde woedend en verontwaardigd dat Shell dit nog nooit naar voren had gebracht. 'Als Shell indertijd een dergelijke waarschuwing had laten horen, was men er toch nooit toe overgegaan om op die duizenden kilo's landbouwbestrijdingsmiddelen een woonwijk te bouwen', zo zei de landsadvocaat.

Ook de bewering van de advocaat van Shell dat na 1959 geen drins meer zijn gestort, is volgens Wubs volstrekt onjuist. 'Het storten van drins ging ook tussen 1961 en 1969 gewoon door. Toen werden in de Schanspolder in de Krimpenerwaard gigantische hoeveelheden drinshoudend afval gestort. Immers de produktie van Shell ging door en een manier om het afval te verbranden werd pas later uitgevonden', aldus mr. Wubs.