Potenwinkel

Waarschijnlijk heeft heel Nederland onder de tien het al in huis: Ioerg Idur, de gloednieuwe Roald Dahl. Geen boekwinkel waar het de afgelopen weken niet in torenhoge, artistiek geschikte stapels lag te lonken. Ongetwijfeld hebben alle kopers het boekje ook al uit, want dat is een kwestie van een half uur, en het zou me niet verbazen als die lezers na dat halve uur massaal hun kleine zusje zijn gaan pesten. Ieorg Idur is namelijk niet meer dan een schamel ideetje, dat de maestro op een achternamiddag heeft neergekrabbeld. Een oude heer koestert een geheime passie voor zijn benedenbuurvrouw, die echter zichtbaar alleen van haar schildpad Rudi houdt. Het probleem met Rudi is dat hij niet wil groeien en daar ziet de stille minnaar zijn kans. Hij offreert zijn aanbedene een magische groeispreuk:

'Ieorg Idur, ieorg Idur

drow retorg ne retorg

tiuroov, ieorg,

ieorg retorg, rekkid, rederb!'

Verder koopt hij stilletjes meer dan honderd identieke schildpadden die hij op gewicht rubriceert. Wekelijks ruilt hij het op het benedenbalkon huizende dier in voor een iets zwaarder exemplaar. Truc gelukt, buurvrouw verrukt, huwelijk gesloten, en de doorgewinterde Dahllezer staat perplex. Het verhaaltje is zo mager dat het voor zijn ogen van de graat valt. Het grapje van de onmerkbare groei kwam hij al eens tegen in De Griezels, waar Mevrouw de gevreesde krimpziekte wordt aangepraat via haar millimeter voor millimeter hoger wordende wandelstok. Alles loopt langs lijnen van geleidelijkheid, nergens een valkuil of monsterlijke gedachte. Zelfs aan het gelukkige einde worden alle nutteloos geworden schildpadden braaf naar de winkel teruggebracht. Er wordt niet eens soep van gekookt! Omgekeerde taal is leuk, maar meer valt er aan deze Idur niet te beleven, dat kan zelfs de overvloed aan schitterende Quentin Blake-tekeningen niet verhullen. Auteur en uitgever maken schaamteloos misbruik van een lezerstrouw, die onvoorwaardelijk is. Als ik kind was eiste ik 'recht-van-retour'.

Ik zou die ondermaatse schildpad dan inruilen tegen bijvoorbeeld Varken en Beer van Vit Horejs, een Amerikaan van Tsjechische oorsprong. Dat boekje is dun en bevat maar vier kleine verhalen, maar die staan wel vol malle, lieve gedachten. Varken en Beer zijn goede vrienden. Hun dagen zijn gevuld met misverstanden, onuitgevoerde plannen, filosofische gesprekken en vele dutjes. 'Om de een of andere reden sliep Beer meestal in het huisje van Varken, maar Varken bleef ook wel vaak bij Beer logeren. Soms spraken ze hun bezoekjes vantevoren zo af, en soms besloten ze in een opwelling wat ze zouden gaan doen. Maar meestal vielen ze gewoon ter plekke in slaap, nog voor ze iets konden afspreken of besluiten.'

De taal zelf zorgt voor de nodige opwinding en verwarring. Zo wil Varken een notenwinkel beginnen, terwijl Beer heeft begrepen dat het om een potenwinkel gaat: 'Ik dacht dat... dat een potenwinkel misschien een plek was waar dieren naar toe konden gaan als ze zich niet zo lekker voelden... en waar een grote warme poot ze dan aaide. Of ze gewoon vasthield. Heel stevig.' Aangenaam melig is de discussie over het verschil tussen uitsekten en insekten en het slapstick-verhaal van de telefoon voor 'in geval van noodgeval' bezorgde mij een ouderwetse aanval van de slappe lach. En dat alles is door Friso Henstra geestig en trefzeker getekend, met een beestentweetal dat fier rechtop en met verbaasde krenteoogjes door de wereld stapt. Natuurlijk is Horejs' vriendenpaar niet origineel. Poeh en Knorretje kijken regelmatig om de hoek en vooral Kikker en Pad van Arnold Lobel schemeren door de verhaaltjes heen. Het niveau van Varken en Beer is echter aanzienlijk abstracter en bovendien is er niet gauw te veel van dit soort liefdevol beschreven dierengedoe, dat altijd ook een beetje over mensen gaat.