Mijn ziel wacht op de Greyhound; Thema's in de Amerikaanse bluesmuziek

Zoals de enorme variatie in bluesmuziek valt terug te voeren op een schema van twaalf maten, zo lijken de teksten van de blues de uitwerking van een basisgegeven: I woke up this morning just about half past four / All I could feel was hard luck knocking on my door. Dat er honderden manieren zijn om dit gegeven (literair) vorm te geven, wordt duidelijk uit Paul Olivers Blues Fell This Morning, een standaardwerk over bluesteksten dat na lange tijd eindelijk herdrukt is.

Olivers boek verscheen in 1960, als een soort requiem voor een zwarte muziekvorm die creatief en commercieel zijn beste tijd leek te hebben gehad. Pas na een periode van dertig jaar, waarin de blues keer op keer als inspiratiebron werd herontdekt, achtte de Cambridge University Press de tijd rijp voor een gewijzigde tweede druk. Blues Fell This Morning is nu prachtig uitgegeven en aangepast aan de jaren negentig: de bibliografie werd bijgewerkt, 'negro' werd vervangen door 'black' of 'African-American', en alles wat zweemde naar (goedbedoeld) paternalisme werd geschrapt. Tegelijkertijd is ook de oorspronkelijke ondertitel, 'The Meaning of the Blues', veranderd in het heel wat bescheidener 'Meaning in the Blues'.

Vragen naar de zin van de blues is even zinloos als vragen naar de zin van het leven, waarvan de blues een afspiegeling is. Volgens Oliver, zelf een blanke Engelsman, is het essentieel om in te zien dat de oorsprong van de blues, en ook de kracht ervan, besloten ligt in de benarde positie van de zwarten in de Verenigde Staten. Pas dan krijgt de blues betekenis. Hoewel Oliver zich toelegt op een tekstanalyse van de 'race records' uit het 78-toeren tijdperk (1925- 1955), leest Blues Fell This Morning als een sociale geschiedenis van zwart Amerika; de liedfragmenten die het betoog illustreren, zouden we tegenwoordig aanduiden als 'oral history'.

Roosevelt

De onderwerpen van de blues varieren van armoede op het platteland tot het industrieleven in de grote stad, van liefdesverdriet tot rassendiscriminatie, van alcohol en drugs tot misdaad en straf. Er zijn blues over eenzaamheid (Blues in my mailbox, 'cause I cain't get no mail/ Blues in my bread-box, 'cause my bread got stale) en over het werkverschaffingsprogramma van Roosevelt (Lord, Mister president, listen to what I'm going to say/ You can take away all of the alphabet but leave that P. W. A). Behalve Roosevelt (in de 'F. D. R. Blues' van Champion Jack Dupree) figureren onder meer Eisenhower, Henry Ford, de zwarte Tijl Uilenspiegels John Henry en Stag O'Lee, en de kever die onder de naam 'boll weevil' in de negentiende eeuw de zuidelijke katoenvelden onpluis maakte. Zelfs Hitler kreeg in 1940 een vermelding.

Kansarmoede

Een ding hebben de meeste blues gemeen: de zangers spreken uit ervaring. Zonder uitzondering zwart, kregen ze allen te maken met het apartheidssysteem dat tot de jaren zestig in Amerika bestond en met de schrijnende gevolgen van de kansarmoede van de zwarte onderklasse. Veel bluesmusici stierven aan datgene waarover ze zongen. Charlie Jordan en Sonny Boy Williamson werden het slachtoffer van roofmoord, Leroy Carr (bekend van 'Six Cold Feet under the Ground') stierf aan een alcoholvergiftiging, Blind Lemon Jefferson kreeg een jaar na zijn 'Pneumonia Blues' een fatale longontsteking, de legendarische Robert Johnson werd vergiftigd door een jaloerse vriendin, en Blind Boy Fuller ('Meat Shakin' Woman') stierf aan syfilis, een ziekte die voor de Tweede Wereldoorlog endemisch was onder zwarten uit de lagere klasse.

De abominabele levensomstandigheden van de bluesmen slechts enkelen hielden aan hun kunst meer over dan een paar flessen drank of een betaald bezoek aan een hoerenkast waren symptomatisch voor die van hun rasgenoten. De indrukwekkendste passages van Blues Fell This Morning beschrijven de dagelijkse ellende van de Mississippi Delta, waar zwarten zich doodwerkten in semi-slavernij op het platteland, of bij het bouwen van waterkeringen (de in veel blues vereeuwigde levees).

De situatie was uitzichtloos, en hoewel het leven in de zwarte getto's van de steden in het noorden niet veel beter was, droomden velen van een beter bestaan elders. Vandaar ook de vele blues over reizen en al maar weer verder trekken. Treinen, bussen, snelwegen en zelfs spoorrails werden bezongen als goede vrienden en geliefden, bij voorbeeld door Son Bonds, die in zijn 'Old Bachelor Blues' concludeerde: It's the railroad for my pillow, this jungle is my happy home. Tommy McClennan wilde begraven worden langs Highway 51 (New Orleans-Memphis-Madison), en het was Robert Johnson die in 'Me and the Devil Blues' zijn rusteloosheid verpakte in twee sublieme regels waarop Melville en Poe jaloers konden zijn: You may bury my body, ooh, down by the highway side/ So my old evil spirit can get a Greyhound bus and ride.

Beeldrijk

'Moving on' is slechts een van de ongeveer tien grote thema's die Paul Oliver onderscheidt in de teksten van de blues. Omdat hij in de eerste plaats geinteresseerd is in een 'social history', onderwerpt hij zijn materiaal niet aan een literaire analyse. Dat neemt niet weg dat Blues Fell This Morning vol staat met klassieke bluesregels en beeldrijk taalgebruik, kortom met orale dichtkunst die in sommige gevallen (Robert Johnson, Blind Lemon Jefferson, Leadbelly) niet onderdoet voor de 'hogere' Amerikaanse poezie.

Misdaad, discriminatie, slavenarbeid, bijgeloof en drugs inspireerden de makers van de blues tot schitterende teksten, maar het creatiefste woordgebruik leek gereserveerd voor songs over seks. Hoewel de schunnigste situaties doorgaans verborgen gingen achter quasi-onschuldige, intelligent uitgewerkte metaforen ('biscuit rolling', 'honey dripping', 'coffee grinding'), werden de blues zo sterk met pornografie geassocieerd dat de term 'blue' zoals in 'blue movie' synoniem werd met 'pornografisch'. In de grote steden ontwikkelde zich zelfs een muzikale vorm van pornografisch schelden; dit waren de zogeheten 'Dirty Dozens', een genre waarop tegenwoordig wordt voortgeborduurd door controversiele zwarte rap-groepen als 2 Live Crew.

Olivers verhaal stopt, ook in de nieuwe druk, aan het eind van de jaren vijftig. Die periode markeert volgens hem het einde van de blues als levende volksmuziek. Het verval was eigenlijk al begonnen op het moment dat Sophie Tucker in 1920 de eerste bluesplaat opnam: orale cultuur, die de ongeletterde gemeenschap bijeenhoudt en van informatie voorziet, moet nu eenmaal van mond tot mond worden doorgegeven. Als volkskunst was de blues al lang dood toen de snelle rock'n' roll haar degradeerde tot een (ook in zwarte ogen) ouderwets muziekgenre. Daar kwam nog bij, betoogt Oliver crypto-marxistisch, dat met de verbetering van de levensomstandigheden van de zwarten na de Tweede Wereldoorlog veel van het 'ruwe materiaal' voor de blues wegviel.

Het is jammer dat de baanbrekende studie van Oliver niet verder gaat dan 1960. Het was interessant geweest wanneer hij ook de grote bluesdichters van na die tijd had behandeld, en helemaal wanneer hij die had vergeleken met briljante witte bluesspecialisten als Bob Dylan, Van Morrison en Randy Newman. Maar daarvoor is Oliver te veel een purist en een voorvechter van het zwarte erfgoed. Al in zijn voorwoord laat hij er geen misverstanden over bestaan: 'Alleen de Amerikaanse zwarte, of hij nu paars-zwart is of zo lichtgekleurd dat hij niet te onderscheiden is van zijn gebruinde blanke buurman, kan de blues zingen.'