Klassieke muziek op video; Noten tussen de sterren

Op televisie, video's en beeldplaten valt klassieke muziek ook te zien, dat wil zeggen: men ziet de violisten vioolspelen en de trommelaars trommelen. Wat voegen dergelijke beelden toe aan de muziek? 'Als Marsmannetjes dit ooit zien, denken zij vast dat daar Beethoven zelf staat!'

Igor Strawinsky hield niet van muziek op de televisie. 'Het is enorm vervelend. Men ziet dirigenten, verzorgd als Engelse schapenhonden. Men kijkt afzonderlijk naar de pauken, de trombone en de hobo. Men ziet de musici ademen en hun lippen bevochtigen. Maar op zo'n manier al die individuele musici zien verhindert mij in ieder geval te luisteren naar het hele ensemble', zo citeerde zijn secretaris Robert Craft de componist. Strawinsky hield helemaal niet van televisie, hij noemde het 'the idiot box', al componeerde hij er wel een opera voor: The flood.

Is het inderdaad zo erg om luisterend naar muziek te kijken naar musici? In de concertzaal valt het mee, daar zijn de musici vaak ver weg, hebben niet al te veel individualiteit en men ziet de musici daar inderdaad als onderdelen van het hele orkest. Op de televisie zijn de musici veel herkenbaarder dan in de zaal, persoonlijker, het zijn echte mensen. Men ziet hun gezichten en detail, de kale koppen, de neuzen, de onderkinnen. Men kan zien of ze pas naar de kapper zijn geweest of zelf hun bakkenbaarden keurig bijwerken, of de dames nog een watergolfje hebben gehad of bedreven zijn in het maken van knotjes.

De tv-apparatuur beinvloedt ook wat er is te zien. Wie bij voorbeeld de Grote Zaal van het Concertgebouw uitsluitend kent van de televisie zal bij een eerste kennismaking ter plaatse bijzonder verrast zijn. Er hangen immers geen sierlijke kroonluchters aan het plafond, voor de podiumstoelen bevinden zich geen zuilengalerijtjes, het orgel is niet versierd met houtsnijwerk, noch omlijst met verborgen lampen die feller gaan stralen naarmate de muziek harder klinkt.

Bevel

Er is op de televisie zeker geen overmaat aan concerten met klassieke muziek. Platenmaatschappijen brengen echter in toenemende mate concerten op video en beeldplaat uit en leveren daarmee een toegevoegde waarde aan de muziekregistratie zoals we die van lp of cd kennen.

De vraag is wat de aard en het belang van het toegevoegde beeld zijn voor het luisteren naar de muziek. Voelen we ons, als we naar een muziekvideo kijken, meer in de concertzaal dan als we naar radio of cd luisteren? Zelf ervaar ik in de concertzaal het 'zien' van de muziek als iets dat er wezenlijk bijhoort. De bewegingen van de dirigent, in eerste instantie toch bedoeld als iets muzikaal-technisch, een visueel bevel voor de musici, geeft ook de luisteraars die hem op de rug zien iets extra's.

Het registreren van het werk van de goede dirigent of van de beroemde solist is voor mij eigenlijk de enige zin van beeldopnamen. Ik zou meer genoegen beleven aan uitsluitend kijken naar de beelden van die ene camera, die drie kwartier lang op Carlos Kleiber of Vladimir Horowitz staat gericht, dan aan die voorgeprogrammeerde en door het verlangen naar afwisseling geleide blikken op al die orkestmusici. Dat de violisten vioolspelen en de cellisten cellospelen, de trommelaar trommelt en de paukenist op de pauken paukt, dat is tijdens elk concert het geval.

Alleen het aandeel van dirigent of solist in een concert is niet in scene te zetten. Dat is per uitvoering uniek en zo essentieel dat men het al heel snel zou merken als het visuele gebaar niet het passende hoorbare complement krijgt.

Mooi vergelijkingsmateriaal voor het ervaren van het verschil tussen luisteren en kijk/luisteren bieden twee recent uitgebrachte video's van de Negende symfonie van Beethoven, beide van historisch belang. Herbert von Karajan dirigeerde het werk in 1977 bij de Berliner Philharmoniker in de West-Berlijnse Philharmonie. Leonard Bernstein deed dat op Eerste Kerstdag vorig jaar in Oost-Berlijn tijdens een direct van het Schauspielhaus door de televisie uitgezonden concert ter gelegenheid van het toen zeer recente neerhalen van de Berlijnse Muur. Het orkest bestond voor deze Ode aan de vrijheid uit musici uit Oost- en West-Berlijn, uit Munchen, Leningrad, Parijs, Londen en Washington.

De concerten van Karajan en Bernstein werden beide vastgelegd door regisseur Humphrey Barton. Wat het in beeld brengen van het concert betreft verschillen ze nauwelijks van elkaar en van de helaas geaccepteerde conventie op dit gebied: het is de gebruikelijke reeks beelden van een uitgelichte dirigent en zijn musici, spelend voor een in duisternis verkerend publiek.

Balletdanser

Toch zijn er twee markante verschillen tussen deze beeldregistraties. Er bestaat een fundamenteel onderscheid in het optreden van deze dirigenten en men merkt dat door naar hen te kijken. Hier vervult het beeld een wezenlijke rol. Karajan staat vrijwel steeds voor het orkest in een voorovergebogen houding en met gesloten ogen. Hij kijkt de musici niet aan, lijkt geen contact met hen te hebben. De Philharmoniker kijken naar hem, naar Karajan, van wie deze muziek middels gedragen gebaren lijkt uit te gaan. Als Marsmannetjes dit ooit zien, denken zij vast dat daar Beethoven zelf staat!

Luisteraar

Bernstein functioneert geheel anders: hij is een dienaar van de componist en de eerste onder het publiek. Hij laat de muziek als een luisteraar over zich komen, toont zich daarover enthousiast en laat zich erdoor meeslepen. Bernsteins dirigeren is bemiddelend van aard en beweegt zich vooral tussen stimuleren en afremmen, hij poogt met armgebaar, mimiek en luchtsprongetjes de muziek uit te beelden. Zijn optreden verschilt maar nauwelijks van een choreograferende balletdanser.

Het andere verschil tussen Karajan en Bernstein is de manier waarop ze ingrijpen in de presentatie van Beethovens Negende. Bernstein laat aan het begin van zijn video weten dat hij bij deze gelegenheid in het slotkoor op de tekst van Schillers ode An die Freude het woord 'Freude' heeft vervangen door 'Freiheit', overeenkomstig een legende dat Schiller dat zelf ook zou hebben overwogen. Bernstein denkt dat Beethoven hier zijn zegen aan zou hebben gegeven. Zoiets valt niet met bewijzen tegen te spreken.

Ook bij Karajan gebeurt iets bovennatuurlijks. Aan het slot van de ode zingt het koor daar over de sterrenhemel, waarboven een lieve Vader moet wonen, door miljoenen aanbeden. 'Ahnest du den Schopfer, Welt? Such ihn uber'm Sternenzelt! Uber Sternen muss er wohnen.' Vanuit een laag standpunt toont de tv-camera Karajan en dan gebeurt het wonder. In de zwarte lucht boven de dirigent verschijnen tal van lichtpuntjes, glinsterende sterren en blinkende muzieknoten! Daar is de hemel en de lieve Vader is niet ver weg, hij lijkt er zelfs voor te staan. Hij is hier persoonlijk aanwezig in de gestalte van Herbert von Karajan, niet alleen de personificatie van Beethoven, maar ook nog van de Schepper.

Na het zien van deze video's draaide ik ter vergelijking de platen van dezelfde concerten. Hoe zouden die klinken zonder de beinvloeding door de beelden? Ik kon mij daarover geen onafhankelijk oordeel meer vormen. De tv-beelden bleven in mijn gedachten, het hoorbare van de muziek was voor mij zo onlosmakelijk verbonden met het zichtbare van musici en dirigenten, dat Beethoven zelf wel verdwenen leek.

Deugen dit soort video's daarom niet? Welnee, de herinnering aan de beelden zal wel weer vervagen en als ik zin zou hebben kan die weer worden ververst. De video met klassieke muziek zegt eerder iets over musiceren en over musici en de opvattingen daarover dan over de muziek zelf en over de componist. Ze vormen een registratie en documentatie, die op zichzelf interessant kan zijn. Maar betekenen ze ook een zinvolle bijdrage aan het overbrengen van de muziek als kunst? Net als Strawinsky denk ik van niet.